Tragedie in het vrijwilligerswerk voorkomen?

Soms leggen artikelen de basis voor een nieuwe aanpak, een nieuw perspectief. In het geval van vrijwilligerswerk geldt dat hopelijk ook voor ‘Een tragedie in vrijwilligerswerk voorkomen: een nieuw paradigma’ van Jeffrey Brudney en Lucas Meijs. Het artikel is onder deze naam in het Nederlands beschikbaar in VIO, Vrijwillige Inzet Onderzocht; een Engelstalige versie is te vinden onder de naam ‘It ain’t Natural, Toward a a New (Natural) Resource Conceptualization for Volunteer Management’.


Een nieuwe manier van kijken
Het artikel draait om een nieuwe metafoor: het zien van vrijwillige energie als een maatschappelijke hulpbron, die duurzaam beheerd zou moeten worden. Door vrijwilligersenergie te vergelijken met olie, vis, schoon water en hout komen de auteurs tot nieuwe inzichten en daarmee ook tot nieuwe vragen. De inspiratie voor deze aanpak komt uit een aantal waarschuwingssignalen die Brudney en Meijs oppikken uit het vrijwilligersveld en die grote overeenkomsten vertonen met signalen uit de wereld van de natuurlijke hulpbronnen. Nu gaat elke vergelijking maar tot zekere hoogte op en mijn favoriete veld, complexity science, heeft al vaker het verwijt gekregen van ‘science by comparison’, maar dat neemt niet weg dat een nieuw perspectief nieuwe inzichten kan brengen.


Vrijwilligersenergie
Vrijwilligersenergie kan worden gekwantificeerd als het aantal uren dat door vrijwilligers wordt geleverd. Deze maat is relevanter dan alleen het aantal vrijwilligers. Vrijwilligersenergie hangt daarmee af van het aantal vrijwilligers, maar ook van hoeveel tijd elke vrijwilliger in het werk stopt. Bij een constant aantal vrijwilligers zou de vrijwilligersenergie nog steeds kunnen stijgen of dalen. Dat gebeurt nu in Rotterdam ook:  het aantal vrijwilligers is nagenoeg constant, maar het aantal geleverde uren stijgt. Om de metafoor uit te breiden – op mijn eigen risico, de auteurs doen dat niet – zou je nog kunnen denken aan de vrijwilligersenergie geleverd in een bepaalde tijd, waarmee het begrip vrijwilligersvermogen ontstaat. Het vrijwilligersvermogen in Rotterdam is dan 510.000 uur/week. Met het denken in termen van vrijwilligersenergie is er een – nogal theoretisch – maximum aan te geven: iedereen doet 24 uur vrijwilligerswerk per dag. De samenhang met andere tijdsbestedingen wordt dan duidelijk: tijd besteed aan slapen, werken, televisiekijken en andere verplichtingen verlaagt de beschikbare vrijwilligersenergie.


Vrijwilligersenergie als hulpbron
De belangrijkste conclusie van Brudney en Meijs is dat vrijwilligersenergie als hulpbron door menselijke interventie positief of negatief beïnvloed kan worden. De hulpbron is hernieuwbaar, want als vrijwilligers juist worden aangestuurd hebben ze de neiging om opnieuw vrijwilligerswerk te doen. Maar ook andere aspecten, zoals moeilijkheden met het ‘opslaan’ van vrijwilligersenergie voor later gebruik, komen langs. Van groot belang is de constatering dat vrijwilligersenergie een ‘meent’ – een gezamenlijke, gedeelde hulpbron – is waar alle organisaties toegang toe hebben. Dit leidt tot de noodzaak van zoeken naar goede vormen van beheer, zodat verspillende en plunderende organisaties geen misbruik maken van de energie ten koste van andere organisaties.


Twee manieren om om te gaan met vrijwilligersenergie
De traditionele manier om tegen vrijwilligersenergie aan te kijken wordt beschreven als een ‘plunderparadigma’ . Vrijwilligersorganisaties vinden de energie alleen belangrijk zolang ze er zelf goedkoop gebruik van kunnen maken, voor hun eigen doelen. Ze gaan uit van de behoeften van de organisatie en zien vrijwilligersenergie als een soort wegwerpproduct.
Het ‘duurzaamheidsparadigma’ ziet vrijwilligersenergie als een hulpbron voor de maatschappij als geheel, waar je als gebruikende organisatie voorzichtig mee om moet gaan. Je wilt die energie ook in de toekomst nog kunnen gebruiken en het liefst door verstandig beleid laten groeien. Vrijwilligers zijn mensen die gedurende hun hele leven bijdragen en niet alleen zolang ze bij de eigen organisatie werken. Ze werken niet alleen voor de organisatie, maar de organisatie werkt zelf ook aan de toekomstige inzet van de vrijwilligers.
Nu is de werkelijkheid veel genuanceerder dan de twee polen die hier geschetst worden, maar het uiteenrafelen in de uitersten werkt zeker verhelderend.


Samengevat
Het veld heeft het nodige te winnen door de metafoor van de duurzaam te beheren hulpbron door te vertalen naar de dagelijkse praktijk. Die vertaling zou meteen een mooi startpunt kunnen zijn om de banden met academisch onderzoek verder aan te trekken. Concreet vertrekpunt zou kunnen zijn om bestaand en nieuw beleid te beoordelen vanuit de polen ‘plunder’-perspectief’ en ‘duurzaam beheer’-perspectief. Verder brengt het nieuwe duurzaamheidsperspectief ten eerste de vraag met zich mee hoe het veld in de volle breedte dit perspectief zou kunnen gaan omarmen – dat is nogal een governance-uitdaging met 4500 vrijwilligersorganisaties in Rotterdam. Ten tweede onstaat de vraag wat het veld dan zou kunnen bedenken om vrijwilligersenergie door duurzaam beheer voor de toekomst te behouden of zelfs uit te breiden.

Met die tragedie gaat het wel meevallen denk ik, wel als veld goed bij de les blijven!

De literatuur:
Jeffrey L. Brundney, Lucas C.P.M. Meijs. Een tragedie in vrijwilligerswerk voorkomen: een nieuw paradigma. Bewerking van eerder materiaal, verschenen in Vrijwillige Inzet Onderzocht, Jaargang 4, supplement, maart 2007.

Jeffrey L. Brudney, Lucas C.P.M. Meijs. It Ain’t Natural, Toward a New (Natural) Resource Conceptualization for Volunteer Management. Nonprofit and Voluntary Sector Quarterly, volume 38, number 4, august 2009, pp. 564-581.

Delen helpt!
Dit bericht is geplaatst in vrijwilligerswerk met de tags , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *