Vrijwilligerswerk in de wetenschap?

hannysvoorwerpVrijwilligerswerk komt in allerlei soorten en maten voor. Een vrij nieuwe vorm lijkt die van de „burgerwetenschap” of „citizen science”. Net voor de jaarwisseling verscheen in de Volkskrant¹ nog een leuk stuk over doe-het-zelf dna-onderzoek. Vrijwilligerswerk? Ja. Je zou op het eerste gezicht kunnen zeggen dat het hier om een hobby gaat, maar de achterliggende doelstelling is wel degelijk gericht op het bevorderen van iets dat individuele belangen overstijgt en eigenlijk van ons allemaal is – of zou moeten zijn: wetenschappelijke kennis.

Helemaal nieuw? Nee, veel vroege wetenschappelijke inzichten en doorbraken zijn te danken aan individuele onderzoekers, los van universiteiten of onderzoeksinstituten. Dat waren mensen die genoeg geld (upper-class) of tijd hadden (dominee’s bijvoorbeeld), in combinatie met een onstuitbare drang naar kennis. Nu is het door institutionalisering niet meer zo goed voor te stellen, maar burgers als „vrijwillig wetenschapper” hebben veel bijgedragen aan de groei van onze wetenschappelijke kennis. Dat amateurs nu zelfs al dna-onderzoek kunnen doen heeft te maken met een algemene trend: het goedkoop beschikbaar komen van apparatuur, materialen en van toegang tot kennis.

Maar vrijwilligers dragen ook op andere manieren bij aan het bevorderen van kennis en wetenschap. Twee inspirerende voorbeelden:

BOINC² is een software-systeem waarmee wetenschappers gebruik kunnen maken van de onbenutte computercapaciteit van (vrijwillige) deelnemers. De meeste computers worden, hoewel de menselijke gebruikers ervan denken dat ze hard aan het werk zijn, niet echt intensief gebruikt. Er is altijd wel ruimte voor een paar extra klussen op de achtergrond. Dat was het vertrekpunt achter BOINC. Je wordt vrijwillig lid, haalt de software op, kiest een leuk project uit (zoals het zoeken naar buitenaards leven door SETI³) en je stelt je ongebruikte computercapaciteit ter beschikking terwijl je zelf op je computer aan het werk bent. BOINC rekent op de achtergrond aan eiwitstructuren, scant radiosignalen uit het heelal of doet ander nuttig werk. Enkele BOINC-projecten draaien tegenwoordig zelfs op mobiele telefoons en er schijnt sprake te zijn van een plan om alle nieuwe computers standaard met BOINC-software uit te rusten: het hele internet op termijn als één grote rekenmachine.

Deelname aan BOINC-projecten is vrijwillig, maar eigenlijk stel je alleen capaciteit ter beschikking. Ik zou dit gevoelsmatig toch meer willen vergelijken met meedoen aan een digitale collecte, met het geven van een klein bedrag aan geld in de vorm van computercapaciteit. Nuttig, maar wel een beetje passief.

Heel anders is dat bij Zooniverse°: Zooniverse is een verzameling projecten waarvan Galaxy Zoo wel de bekendste is. Het vertrekpunt daar is dat de omvang van de beschikbare wetenschappelijke gegevens zo groot is, dat wetenschappelijke staf en studenten er niet meer door heen kunnen komen: ze lopen steeds verder achter de feiten aan. Zo komen er sneller foto’s van sterrenstelsels beschikbaar dan er door astronomen verwerkt kunnen worden. Omdat mensen sommige taken, zoals beeldherkenning, nog steeds veel beter kunnen doen dan computers, is aan een groot aantal vrijwilligers – volslagen leken – gevraagd of ze foto’s van sterrenstelsels wilden beoordelen op ‚interessantheid”. En wat interessant is kon je online in een cursus van een minuut of tien leren. Zo hebben vrijwilligers in recordtijd de interessante foto’s gescheiden van de oninteressante. Op de achtergrond waren daarbij altijd experts beschikbaar voor het helpen bij grensgevallen of andere vragen en geen enkele vrijwilliger hoefde bang te zijn voor „verkeerde” beslissingen: foto’s werden altijd door meerdere vrijwilligers beoordeeld. Dezelfde truc wordt nu ook gebruikt bij onderzoek naar kanker, in de meteorologie en in de biologie.

Deelname aan Zooniverse is vrijwilligerswerk: je besteedt je tijd aan het bevorderen van iets dat je zelf belangrijk vindt. Misschien heeft u wel eens gehoord van Hanny van Arkel: de bekendste Nederlandse vrijwilligster van Galaxy Zoo: zij vond iets interessants dat uiteindelijk haar naam heeft gekregen: Hanny’s Voorwerp, te zien als het groene ‚ding’ op de foto. Op deze manier leidt vrijwilligerswerk al snel tot echt eeuwige roem.

Het lijkt er dus op dat een reeks ontwikkelingen er voor zorgt dat ook vrijwillige bijdragen aan de wetenschap steeds meer tot hun recht komen. Apparatuur wordt goedkoper, materialen ook, bibliotheken en literatuur zijn online beschikbaar – de volgende stap wordt „alles open access” – en samenwerken gaat online steeds gemakkelijker. Je helpt al door je computercapaciteit te doneren terwijl je werkt en als je wilt kun je wetenschappers direct helpen met eenvoudig en snel te leren deskundigheid. Nuttig vrijwilligerswerk, dat je op elk moment dat het je uitkomt kunt doen. En het past precies in een mooie trend: niet alleen consument – in dit geval van wetenschap – zijn, maar ook producent. Moest iedereen maar eens wat vaker gaan doen.


¹ De Volkskrant Wetenschap zaterdag 28-12-2013, v2-v3 „Dna-onderzoek kan ook amateurwerk zijn”
² BOINC staat voor Berkeley Open Infrastructure for Network Computing. De website van BOINC: https://boinc.berkeley.edu, een lijst van projecten is terug te vinden op https://boinc.berkeley.edu/projects.php
³ SETI staat voor Search for ExtraTerrestrial Intelligence. Website http://www.seti.org, website van SETI voor BOINC: http://setiathome.berkeley.edu
° Zooniverse (website: https://www.zooniverse.org) is een initiatief van de Citizen Science Alliance. Website: http://www.citizensciencealliance.org/index.html. Galaxy Zoo is een project binnen Zooniverse. Website: http://www.galaxyzoo.org

Delen helpt!
Geplaatst in vrijwilligerswerk, wetenschap | Één reactie

Telefoon of kettingzaag?

Stel u bent een automobilist – fietser mag ook natuurlijk – en u cruist op uw gemak door een mooi stukje natuur. Soms doet de omgeving denken aan een goed onderhouden park, soms aan een wat verwilderd en verwaarloosd bos. Opeens staat u, en achter u een aantal andere weggebruikers, voor een boom die dwars over de weg gevallen is. Wat te doen?

U hebt uw mobieltje bij u en u zou de autoriteiten kunnen bellen met de melding dat er een boom over de weg ligt. U kunt al voorspellen wat er gaat gebeuren: 14010 is eerst onbereikbaar (dit verhaal speelt zich af in de omgeving van Rotterdam zoals u begrijpt), maar na enig doorverbinden kunt u de melding kwijt. U hebt wat ervaring met het functioneren van grote organisaties – eh, concerns -, voorziet al een lang proces van inplannen van werkzaamheden, onderlinge afstemming tussen gemeentelijke diensten en ook dat u nog wel even voor de boom zult staan. Uiteindelijk wordt het dan wel goed voor u geregeld.

U bent vroeger echter ook padvinder geweest- scout als u wat jonger bent – en hebt daarom ook altijd nog een kettingzaag in de bakfiets of laadbak liggen. U kijkt de andere mensen die voor de boom staan eens aan en er rijpt het snode plan om de boom dan samen maar zelf uit de weg te ruimen. Veel werk, je wordt er misschien vies van, gaat ervan zweten en een kettingzaag kan bij onhandig gebruik gevaarlijk zijn. Maar wat een voldoening als je de klus samen klaart en dan weer verder kunt.

Wat zou vandaag de dag uw beslissing worden? Bellen en het via de juiste kanalen aan de juiste instanties overlaten of het, samen met anderen die voor hetzelfde probleem staan, zelf oplossen?

Dit is – met dank aan Alexis de Tocqueville – een ‘case’  om te illustreren hoe het denken over het oplossen van maatschappelijke problemen aan het verschuiven is. Dat mijn eigen voorkeur naar de tweede variant uit gaat is hoop ik wel duidelijk, maar dat is wel een oplossing die verder gecultiveerd moet worden. Er zijn al veel mensen die zelf hun verantwoordelijkheid nemen – alleen al in Rotterdam zijn 155.000 vrijwilligers actief -, maar dat mogen er best meer worden. Maar wel met de juiste gereedschappen en vooral met toestemming. Niet bang hoeven te zijn dat initiatief nemen negatief terugslaat.
Alexis zag goed dat de overheid daar een rol in heeft te spelen:

De allerbelangrijkste taak van een goede overheid zou moeten zijn om mensen te leren het zonder de overheid te redden.

Helemaal zonder overheid is onwenselijk en gaat ook niet lukken, maar meer dan nu mag het initiatief bij burgers zelf liggen. Beoordeel een overheid op dit moment dan ook maar op het vermogen zichzelf op een verantwoorde manier zoveel mogelijk overbodig te maken. En op de reden daarvoor: niet omdat dat moet vanwege het geld, maar omdat het zo hoort.

Delen helpt!
Geplaatst in civil society, vrijwilligerswerk | Getagged , , | 6 Reacties

Hoe zou democratie kunnen ontsporen?

Naast me op de leesstapel een klassieker: Over de democratie in Amerika van Alexis de Tocqueville. Lemniscaat heeft in 2011 een prachtige uitgave verzorgd van de vertaling door Hessel Daalder en Steven Van Luchene, bewerkt en beschouwd door Andreas Kinneging. Een hele opgave met bijna 1200 pagina’s. Maar eerlijk gezegd kan ik het niet laten om zo meteen al iets van De Tocqueville voor het voetlicht te brengen, maar dan uit een andere uitgave.

Alexis de Tocqueville was een Frans aristocraat, die de vorming van democratie in levende lijve heeft meegemaakt. Waar wij eigenlijk niets anders kennen – we zijn in een democratie groot geworden – maakte hij “fris” kennis met dat nieuwe concept. Door lange reizen in de zich ontwikkelende Verenigde Staten en door kennis van en ervaring met het politieke systeem in Frankrijk kon hij de ontluikende democratie vanuit meerdere perspectieven bekijken. Hij was daarbij met name gespitst op de manieren waarop het uit de hand zou kunnen lopen met die democratie, waar die zou kunnen ontaarden in een vorm van despotisme. De Tocqueville kreeg – in mijn ogen, hoe kan het ook anders, terecht – grote waardering voor het belang van “vrije associaties”, voor burgers die zich verenigen om de publieke zaak vanuit welbegrepen eigenbelang te bevorderen. Alexis is dan ook populair onder denkers die zich met de civil society bezig houden.

Nadenkend over hoe wetten en regels beperkend kunnen zijn juist voor dit soort verbanden (dank Harm) kwam het volgende stukje uit Over de Democratie in Amerika uit een andere bron, het boek Civil society tussen oud en nieuw van Buijs, Dekker en Hooghe naar boven. Aan het woord is De Tocqueville zelf:

“Ik wil me voorstellen met welke nieuwe trekken het despotisme zich zou kunnen voordoen in de wereld. (…) Boven [de mensen] verheft zich een immense en beschermende macht, die in haar eentje is belast met het veilig stellen van hun genietingen en het waken over hun lot. Zij is absoluut, minutieus, ordelijk, vooruitziend en zacht. Ze zou lijken op een vaderlijke macht, indien ze, zoals die, als doel had de mensen voor te bereiden op de volwassenheid; maar ze wil hen, integendeel, slechts onherroepelijk vasthouden in de kinderlijke leeftijd; ze hecht eraan dat de burgers zich vermaken, mits ze aan niets anders denken dan zich te vermaken. Ze werkt vrijwillig aan hun geluk; maar ze wil de enige bewerker daarvan zijn en de enige arbiter; ze voorziet in hun veiligheid, zorgt voor en waarborgt hun behoeften, vergemakkelijkt hun genoegens, hoedt hun belangrijkste aangelegenheden, dirigeert hun inspanningen, regelt hun nalatenschappen, verdeelt hun erfenissen; kan ze niet de moeite van het denken en de pijn van het leven geheel van hen wegnemen?

Zo is het dat ze elke dag het gebruik van de vrije wil minder nuttig en zeldzamer maakt; dat ze de handeling van de wil verder beperkt tot een kleinere ruimte en beetje bij beetje aan iedere burger zelfs het gebruik daarvan ontfutselt. De gelijkheid heeft de mens voor al deze zaken geprepareerd: ze heeft hem ertoe gebracht ze te verdragen en ze zelfs te beschouwen als een weldaad.

Na zo om de beurt elk individu in zijn machtige handen te hebben genomen en hem naar zijn wens te hebben gekneed, strekt de soeverein zijn handen uit naar de samenleving in haar geheel; hij bedekt de oppervlakte ervan met een netwerk van futiele, gecompliceerde, minutieuze en uniforme regels, waar doorheen de origineelste geesten en de krachtigste zielen zich geen weg weten te banen om de massa te overtreffen; hij breekt de wil niet, maar hij verzacht, buigt en leidt hem; hij dwingt zelden te handelen, maar hij verzet zich zonder onderbreking tegen wat men onderneemt; hij vernietigt niet, hij verhindert het ontstaan; hij tiranniseert niet, hij hindert, toomt in, verzwakt, smoort, versuft en reduceert ten slotte elke natie tot niet meer dan een kudde timide en bedrijvige dieren, waarvan de overheid de herder is.

Ik heb altijd geloofd dat dit soort van slavernij waarvan ik net een schets heb gegeven, ordelijk, zacht en vreedzaam, beter dan men zou denken kan samengaan met sommige uiterlijke vormen van vrijheid en dat het niet onmogelijk is dat ze zich zelfs in de schaduw van de volkssoevereiniteit vestigt.”

De Tocqueville schetst een sfeer die past bij de verstikkende en verlammende brij aan regelgeving die – met de beste bedoelingen – over ons, in onze democratische verzorgingsstaat, wordt uitgestort. En dat geschreven ergens rond 1840.

De man is het lezen meer dan waard.

De literatuur:
Govert Buijs, Paul Dekker & Marc Hooghe (red.) Civil Society tussen oud en nieuw. Uitgeverij aksant, 2009. p 60 over Alexis de Tocqueville, door Andreas Kinneging.
ISBN 978-90-5260-318-6

Alexis de Tocqueville. Over de Democratie in Amerika. Vertaald door Hessel Daalder en Steven Van Luchene, bewerkt door Andreas Kinneging. Uitgeverij Lemniscaat, 2011. ISBN 978-90-477-0351-8

Delen helpt!
Geplaatst in politiek | Getagged , , , | 2 Reacties

Hoe zou altruïsme ontstaan kunnen zijn?

cover boek Moral OriginsVrijwilligers zijn mensen die iets voor een ander over hebben, vaak zelfs voor een ander die ze helemaal niet eens kennen. Hoe heeft dat altruïsme zich kunnen ontwikkelen naast het sterke egoïsme en het even werkzame nepotisme – het helpen van familieleden – dat mensen eigen is? Naar het antwoord op die vraag wordt druk gezocht en het begint er een beetje op te lijken dat samenwerking van een evolutionair lelijk eendje – samenwerking is vreemd want het helpt niet in de individuele survival-of-the-fittest – in een mooie zwaan aan het veranderen is, in een hoeksteen van modern denken over evolutie. Mensen zijn super-samenwerkers: beter dan bijen, mieren en andere vaak als voorbeeld gebruikte sociale insecten, juist omdat onze mogelijkheden voor samenwerking zich uitstrekken tot ver buiten de kring van de eigen familieleden of zelfs de eigen soort.

Christoper Boehm, een evolutionair antropoloog uit de VS, schreef een inspirerend boek over zijn visie op de oorsprong en de ontwikkeling van moraliteit, over het menselijke geweten. “Moral Origins, the evolution of virtue, altruism and shame” wordt hier in het Engels besproken, maar de verbanden met vrijwilligerswerk zijn zo intrigerend dat ik me zelf ook maar aan een bespreking waag.

Ergens tussen 250.000 jaar geleden – toen onze voorouders begonnen met het jagen op groot wild – en pakweg 45.000 jaar geleden – de beste schatting voor het ontstaan van de cultureel moderne mens – veranderde er iets in de manier waarop onze voorouders omgingen met hiërarchie.  Tot dan toe hadden “we” veel gedrag gemeen met chimpansees en bonobo’s, waaronder het bekende alpha-mannetjes gedrag: een leider met veel voordeeltjes op grond van die positie – vaak een free-rider: veel nemen, weinig geven – en veel volgers die voornamelijk “gaven”. Toen de grootte van groot wild het nodig maakte dat we in groepen gingen jagen, moest er een manier gevonden worden om de buit eerlijk te verdelen: het free-riden van de alpha-mannetjes moest een halt worden toegeroepen.

Dat gebeurde door het samenzweren van de rest tegen de leider, gebaseerd op een effectief roddelcircuit om in de gaten te houden wie wat nu weer had gedaan. Leiders – en andere free-riders – die hun boekje te ver te buiten gingen werden actief een kopje kleiner gemaakt. Iets dat – en daar komt de expertise van Boehm als antropoloog om de hoek – ook nu nog wel voorkomt bij jager-verzamelaars. Soms was het iets subtieler: stond de leider opeens alleen tegenover het grote wild. Boehm ziet het ontstaan van een geweten in die context: langzaam ontwikkelt zich een beeld van wat wel of niet kan – vanuit de optiek van de groep – en zowel volgers als leiders gaan dat langzaam internaliseren. Iedereen in de groep heeft min of meer hetzelfde beeld van hoe het hoort en de free-riders gaan zich inhouden om niet de wraak van de groep over zich af te roepen. Er ontstaat een egalitair verband van jagers waarin niemand echt meer de baas is en waarin dominante impulsen en free-riden door een “geweten” in de hand worden gehouden. De oorsprong van moraliteit, inclusief een tijdspad van ontstaan. En het beginpunt van altruïsme.

Waar Boehm vernieuwend is – voor zover ik dat al kan beoordelen – is de rol die hij aan sociale selectie toekent. Normaal gesproken wordt evolutie beschouwd als een blind, automatisch optredend proces van – willekeurige – verandering en selectie op basis van fitness. Onze voorouders hebben dat proces beïnvloed door de verandering zelf mee te sturen, zonder dat ze dat zelf overigens wisten. Door waarde te gaan hechten aan het noodzakelijke eerlijk delen en door dominant gedrag en free-riden als immoreel te beschouwen hebben ze door een culturele ontwikkeling de overlevingskansen van samenwerkers vergroot en die van free-riders verkleind. Met het invoeren van iets als de Gouden Regel en het actief uitdragen daarvan zochten samenwerkers elkaar op en hielpen ze elkaar, wat resulteerde in betere overlevingskansen. Tegelijkertijd werden free-riders in meer of mindere mate buitengesloten, wat hen juist verminderde mogelijkheden om te overleven opleverde.

Dat er nog free-riders over zijn komt dan ook door het geweten: omdat free-riders wisten dat ze zich in moesten houden en het ook deden, voorkwamen ze dat ze (helemaal) buitengesloten werden en uit de genenpool verdwenen. De free-riders zijn dan ook nog onder ons, maar ze houden zich in.

Boehm ziet altruïsme als een gevolg van het leven in egalitaire groepen, die ontstonden op het moment dat onze voorouders vanwege het jagen op groot wild het hiërarchische “bestuursmodel” loslieten en met sociale middelen als roddel (pardon, communicatie) en met culturele middelen als gouden regels samenwerking bevorderden, free-riden afzwakten en zo hun eigen evolutie beïnvloedden.

Het geweten dat ontstaat is daarbij flexibel: naast egoïsme en nepotisme wordt ruimte geboden aan altruïsme en onder de juiste omstandigheden en met de juiste culturele voeding bloeit altruïsme. Wanneer de omstandigheden zwaar worden wordt eerst altruïsme “uitgeschakeld” en daarna nepotisme, zodat alleen puur eigenbelang overblijft.

We hebben naar schatting 200.000 jaar de tijd gehad te wennen aan dat egalitaire model. Vanaf het ontstaan van de landbouw, grofweg 10.000 jaar geleden, werd weer meer hiërarchische sturing gebruikt omdat mensen sterker aan grond waren gebonden en niet meer, zoals bij jager-verzamelaars, naar een andere groep konden vertrekken als er zware conflicten ontstonden. Het grotere beroep op conflictbeslechting ter plaatse deed een beroep op de  krachtige en relatief onpartijdige ingreep van alpha-mannetjes, iets wat ze van nature goed af gaat (ook bij chimps en bonobo’s). Het begin van de opkomst van stamleiders, krijgsheren, koningen, keizers en natiestaten.

Als uitsmijter wat speculatie voor eigen rekening: in tegenstelling tot betaald werk, dat veelal in een hiërarchische structuur plaatsvindt, speelt vrijwilligerswerk zich af in een situatie waarin hiërarchie er niet zoveel toe doet. Formele macht doet er minder toe en gezag op basis van kennis en ervaring des te meer. Betaald werk past beter in de oeroude – ouder dan 250.000 jaar – en moderne manier – jonger dan 10.000 jaar – van hiërarchisch denken, vrijwilligerswerk past beter bij de jager-verzamelaar. Egalitair, een afkeer van autoriteit en ongelijkheid, eerlijk delen, iets voor elkaar over hebben en een helder beeld van wat goed of slecht is en – toch ook wel leuk – veel tijd voor roddels over wie meer of minder doet. Kortom: we moeten op zoek naar de jager-verzamelaar in onszelf die ruim 200.000 jaar ervaring heeft met altruïsme.

De literatuur:
Christopher Boehm. Moral Origins, the evolution of virtue, altruism and shame.
Basic Books, 2012. ISBN: 978-0-465-02048-5.

Delen helpt!
Geplaatst in wetenschap | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Financiële prikkels en sociale contracten 2

In een vorige post beschreef ik een onderzoek van Gneezy en Rustichini dat liet zien dat financiële prikkels en gedragsverandering niet altijd zo samenhangen als je in eerste instantie zou verwachten. Een boete zorgde daar voor een toename van ongewenst gedrag. Dat was een boete. Hoe zou het dan zitten met beloningen?

De conventionele economische wijsheid is dat een hogere beloning een hogere inzet geeft en daarmee een beter resultaat. Psychologen – met name cognitieve – waarschuwen nog wel eens dat belonen ten koste kan gaan van de intrinsieke motivatie en daarmee van de inzet en van het uiteindelijke resultaat. Gneezy en Rustichini onderzochten dit vraagstuk met een aantal elegante experimenten.

De experimenten
In hun eerste experiment – weer in Israel – vroegen ze 160 studenten, verdeeld over 4 groepen van 40 elk, om 50 vragen te beantwoorden. De vragen waren zo uitgezocht dat de studenten inzet moesten tonen om ze te beantwoorden – rekenen of redeneren dus, geen weetjes. Bij de eerste groep werd beloning überhaupt niet genoemd, de tweede kreeg 0,1 NIS (de Israëlische munteenheid) per goed beantwoorde vraag, de derde 1 NIS en de laatste 3 NIS. De resultaten waren als volgt:

Geen betaling0,1 NIS1 NIS3 NIS
aantal goed (van de 50)28.423.0734.734.1

Uit de drie laatste kolommen wordt duidelijk dat je, als je een hogere beloning geeft, grosso modo meer vragen goed beantwoord krijgt. Het gekke is alleen dat je in de situatie waarin er helemaal geen sprake is van een beloning, een betere prestatie krijgt dan bij de lage beloning. Economen lijken dus gelijk te hebben- meer belonen werkt beter -, maar ook de pyschologen: een lage beloning geeft slechtere resultaten dan helemaal geen beloning.

In een tweede experiment – ook in Israël – werden 180 scholieren, die gingen collecteren tijdens een landelijk bekende collecteweek voor een goed doel, verdeeld over drie verschillende behandelingen. Eén deel kreeg alleen te horen dat hun resultaten gepubliceerd zouden worden, een tweede dat ze naast publicatie ook 1% van hun eigen opbrengst extra zouden krijgen, en een derde dat ze naast publicatie 10% van hun eigen opbrengst mee zouden krijgen. De extra inkomsten gingen niet af van die van de collecte, maar werden betaald door de onderzoekers. De collecte-opzet was zo uitgedacht dat het weer de inzet was, het “loopvermogen”, dat bepalend zou zijn voor de uitkomsten en zo weinig mogelijk de kwaliteit van het “praatje” aan de deur. De resultaten waren als volgt:

Geen betaling1 % beloning10% beloning
opbrengst collecte238,6153,6219,3

Ook in dit experiment werd duidelijk dat geen betaling betere resultaten geeft dan lage betaling – en zelfs betere dan de hogere betaling.

Gneezy en Rustichini onderzochten met een derde experiment verder nog of mensen zich wel realiseren dat dit effect optreedt: zowel bij het vragen-experiment als bij het collecte-experiment werd aan weer andere proefpersonen – zogenaamd “managers” van de mensen die proefpersoon waren in de echte experimenten –  gevraagd om een beloningssysteem voor hun “ondergeschikten” te kiezen.
De managers zouden 1 NIS krijgen voor elk goed antwoord van hun ondergeschikten in het vragen-experiment resp. 5% van de opbrengst van hun ondergeschikten in het collecte-experiment. Ze hadden er dus alle belang bij om het beste beloningssysteem te kiezen.

Bij het vragen-experiment mocht worden gekozen tussen geen beloning of  10 cent per goed antwoord. In het vragen-experiment koos 87% van de managers – die het geld voor de proefpersonen uit hun eigen opbrengst moesten betalen – voor de 10 cent optie.  Ze zaten zichzelf dus dubbel dwars: ze namen de keuze die een lagere score veroorzaakte en ze moesten het nog zelf betalen ook. Dat gold ook voor de 76% van de “managers” die in het collecte-experiment koos voor een beloning van 1% voor hun collectanten: zij kregen minder geld met hun keuze en moesten dat nog zelf betalen ook. In beide gevallen was de keuze voor “onbetaald” dus – dubbel – lucratiever geweest. Dat onbetaald dus beter werkt dan laag betaald – tot een bepaalde hoogte althans – zit ons dus nog niet echt tussen de oren.

De conclusie:
Geen beloning werkt blijkbaar beter dan een kleine beloning. Economen hebben nog steeds gelijk in de zin dat een hogere beloning betere resultaten geeft – als je een beloning geeft; maar psychologen ook, want geen beloning is beter dan een lage beloning. De verklaring van Gneezy en Rustichini is – net als in de vorige post – dat het noemen of ter sprake brengen van de beloning het spel verandert: zonder beloning is er meer sprake van een contract dat wordt geïnterpreteerd als een sociaal contract; na het introduceren van de beloning is er sprake van een meer financieel contract. In het eerste geval blijken mensen zich dus meer in te zetten dan bij de lager betalende varianten van het financiële contract. Betaal je steeds meer, dan gaan de resultaten ook omhoog, tot je op een gegeven moment boven het “onbetaalde” niveau komt. De auteurs vatten hun artikel dus ook weer netjes samen in de titel: “pay enough or don’t pay at all”.
Vrijwilligerswerk (sociaal contract) is dus echt iets anders dan “werken tegen een beloning van € 0,-” (financieel contract).

De literatuur:
Uri Gneezy, Aldo Rustichini. Pay enough or don’t pay at all. The Quarterly Journal of Economics, 2000. Onder meer te vinden via deze link.

Delen helpt!
Geplaatst in vrijwilligerswerk | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Financiële prikkels en sociale contracten 1

Er wordt wel eens voorgesteld om het aantal vrijwilligers te vergroten door een financiële vergoeding tegenover de gewerkte uren te zetten: een vrijwilliger met uurloon zeg maar. De redenering is dan dat vrijwilligerswerk iets “belastends” is en dat er tegenover die belasting dan maar iets positiefs (het geld) gezet moet worden. Er is behoorlijk wat literatuur over de effecten van beloningen en die literatuur draait dan veelal om de vraag of de “intrinsieke motivatie” wel of niet wordt ondermijnd door de beloning. In de komende posts komen enkele aspecten van dit vraagstuk naar voren.

In een mooi onderzoek laten Uri Gneezy en Aldo Rustichini zien dat de gevolgen van pogingen gedrag te beïnvloeden met relatief kleine geldbedragen niet altijd zo uitpakken als je zou verwachten. In hun onderzoek – in Israel –  ging het om een lage boete op het te laat komen ophalen van kinderen uit de opvang. De verwachting vooraf was dat een boete het aantal te laat opgehaalde kinderen – of eigenlijk het aantal te laat komende ouders – zou verlagen.

Er werden twee groepen van dagverblijven samengesteld. De controlegroep bestond uit dagverblijven waar niets veranderde gedurende het experiment. De experimentele groep bestond uit dagverblijven waar eerst 4 weken werd gekeken hoe het ging, waarna in de vijfde week een boete werd opgelegd als een ouder te laat was bij het ophalen van kind of kinderen. De boete werd weer afgeschaft aan het begin van de 17e week. De resultaten zijn te vinden in de onderstaande grafiek:

 

grafiek over vrijwilligerswerk

 

Tot verrassing van velen ging het aantal ouders dat te laat kwam door het invoeren van de boete omhoog.  Zelfs toen de boete weer werd teruggedraaid bleef het aantal ouders dat te laat kwam op het verhoogde niveau hangen.

De auteurs dragen meerdere verklaringen aan, maar gaan er uiteindelijk van uit dat het invoeren van de boete het “spel” tussen ouders en dagverblijf verandert. Dat spelt draait dan om hoe ouders hun – incomplete, want ruimte voor interpretatie latende – afspraken met de opvang interpreteren. Zonder boete lijkt er sprake te zijn van een “sociaal contract” waarin ouders zich realiseren dat als zij te laat komen, de leiding daarvoor moet opdraaien. Dat zorgt voor een zekere disciplinering. Na het invoeren van de lage boete lijkt het spel meer te worden ” ik betaal voor het recht te laat te mogen komen” en wordt het dus veel meer een financieel contract. Het lijkt verder  bovendien zo te zijn dat een eenmaal “te kopen recht” ook na het vervallen van de mogelijkheid tot kopen als een “recht” wordt gezien: ouders blijven hun kinderen te laat ophalen.

Al met al dus voldoende reden om voorzichtig te zijn met het sturen van gedrag met geld in situaties waarin sociale contracten een rol spelen. Dat geldt dan dus ook voor vrijwilligerswerk. De auteurs vatten het bovenstaande mooi samen met de titel van hun artikel: “a fine is a price” – een boete is gewoon een te betalen prijs.

De literatuur:
Uri Gneezy, Aldo Rustichini. A Fine is a Price.  Journal of Legal Studies, vol. 29. issue 1, 2000, pp. 1-17

Delen helpt!
Geplaatst in vrijwilligerswerk | Getagged , | 4 Reacties

Wanneer is iemand meer of minder vrijwilliger?

grafiekIn een eerdere post over wat de beeldvorming over vrijwilliger-zijn bepaalt werd een onderzoek uit 1996 van Cnaan, Handy en Wadsworth besproken, dat een instrument beschreef om te kunnen beoordelen wanneer iemand meer of minder als vrijwilliger wordt gezien. Die inschatting lijkt te worden gemaakt op basis van de netto-kosten van het vrijwilligerswerk (kosten als moeite, tijd en misgelopen mogelijkheden vermindert met opbrengsten als vergoeding, status en contacten) en van “noblesse oblige” – van mensen met een hoge sociale status wordt meer vrijwilligerswerk verwacht. Om dit Amerikaanse onderzoek te repliceren – over te doen om het te bevestigen of te ontkrachten – en de theorie verder uit te werken is een groot internationaal vervolgonderzoek opgezet.

Femida Handy, Ram Cnaan, Jeffrey Brudney, Ugo Ascoli, Lucas Meijs en Shree Ranade beschrijven in een artikel uit 2000 een nieuw instrument en een aantal concrete hypotheses over wie in welke situatie als vrijwilliger zal worden gezien en ze doen dat voor meerdere verschillende culturele settings: in Canada, Nederland, Italie, India en de VS.

Om hun hypotheses te kunnen testen verfijnen de auteurs het instrument van Cnaan, Handy en Wadsworth – dat met 23 scenario’s werkt – naar een versie met 50 scenario’s.
In een scenario wordt een korte beschrijving gegeven van een persoon die iets doet, bijvoorbeeld ‘een tiener die vrijwillig maaltijden uitserveert in een opvang voor daklozen’. De proefpersonen in het experiment geven aan in hoeverre ze de tiener beschouwen als een vrijwilliger – op een schaal van 1 – zeker geen vrijwilliger – tot 5 – zeker een vrijwilliger. Zo worden alle scenario’s nagelopen en ontstaat na het scoren een rangorde van wie door de proefpersonen het meest en wie het minst als vrijwilliger wordt gezien.

Waar je bij het onderzoek door Cnaan, Handy en Wadsworth nog zou kunnen zeggen dat de uitkomst alleen voor de VS geldt, is dit vervolgonderzoek met opzet zo breed opgezet dat je mag aannemen dat de resultaten universeler geldig zijn. Die breedte leidt ook weer tot specifieke problemen: de scenario’s moesten worden vertaald en worden aangepast aan de culturele context en dat levert dan weer verrassingen op: wist u dat in India scouting wordt begeleid door leerkrachten? Toch hebben de auteurs voldoende vertrouwen in hun instrument om het uit te zetten onder ruim 3000 mensen in de genoemde 5 landen, waarbij in de VS twee cultureel duidelijk verschillende steden werden meegenomen.

De onderzoekers hebben de volgende hypotheses opgesteld – nuances in hun formuleringen kunnen in de vertaling verloren zijn gegaan:

  1. In vrijwilligerswerk-situaties waarin mensen verschillende opportuniteitskosten¹ hebben bij het uitvoeren van dezelfde vrijwilligers-activiteiten met ongeveer gelijke opbrengsten zal de persoon met de hoogste – waargenomen – opportuniteitskosten meer als vrijwilliger worden gezien. ¹Opportuniteitskosten zijn de opbrengsten die je gehad zou kunnen hebben als je het vrijwilligerswerk niet had gedaan: bijvoorbeeld meer inkomsten door extra uren te werken. Wie meer “laat liggen” om vrijwilligerswerk te gaan doen, wordt meer als vrijwilliger gezien, tenminste als alle andere factoren hetzelfde zijn.
  2. Een persoon die vrijwilligerswerk doet bij een bekende vrijwilligersorganisatie zal meer als vrijwilliger worden beschouwd dan een persoon die dat bij zo maar een vrijwilligersorganisatie doet. De veronderstelling is hier dat er door een bekende vrijwilligersorganisatie hogere eisen gesteld kunnen worden – en dat er dus meer geëist  wordt van de vrijwilliger – dan door een vrijwilligersorganisatie die minder kieskeurig kan zijn.
  3. Iemand die vrijwillig bezig is met een activiteit die wordt gezien als veeleisender zal meer als vrijwilliger worden gezien dan iemand die bezig is met een taak die lagere eisen stelt. Hoe meer je in een keurslijf moet, hoe strakker alles is, hoe meer er van je wordt verwacht, hoe hoger de netto-kosten voor de persoon en hoe meer iemand als vrijwilliger wordt gezien.
  4. Wanneer iemand vrijwilligerswerk doet zonder duidelijke persoonlijke voordelen zal die persoon meer als vrijwilliger worden gezien dan iemand die vrijwilligerswerk doet met een duidelijk persoonlijk voordeel. Persoonlijk voordeel – betaling, gratis kaartjes, behoud van uitkering – is een opbrengst en vermindert daarmee de netto-kosten die iemand maakt door vrijwilligerswerk te gaan doen.
  5. Wanneer personen verschillende vormen van vrijwilligerswerk doen met vergelijkbare persoonlijke netto-kosten, zal de persoon die actief is bij de activiteit die de grootste maatschappelijke opbrengst heeft meer als vrijwilliger worden beschouwd.  Pas wanneer het vrijwilligers even veel “kost” zal de maatschappelijke uitkomst van de activiteiten een rol gaan spelen bij de beoordeling van wat het meest als vrijwilligerswerk wordt gezien. Vrijwilliger zijn wordt in de beeldvorming meer beoordeeld op “hart voor de zaak” dan op de “opbrengst voor de zaak”.

Let wel: dat waren de verwachtingen. Wat kan er op grond van het onderzoek worden geconcludeerd?

Er is grote overeenstemming in alle settings over wat “zeker een vrijwilliger” is. Daarbij past dan geen impliciete of expliciete beloning en wordt verwacht dat er behoorlijk wat tijd en inspanning geleverd moeten worden. En dat dan ook nog eens ten dienste van anderen. De netto-kosten hypothese wordt daarmee dus ondersteund.

Er lijkt iets minder overeenstemming te bestaan over wat “zeker geen vrijwilliger” is: duidelijk is overal dat iemand in scenario’s waarin geen sprake is van vrije wil en/of van hoge netto-kosten al snel als “geen vrijwilliger” wordt beoordeeld. Ook het krijgen van een beloning – in geld of op een andere manier – leidt snel tot het oordeel “geen vrijwilliger”.  Betaalde vergoeding in Nederland leidt altijd tot een lage score op de vrijwilligerschaal. Bij ons is het daarentegen niet erg om ‘in natura’ gecompenseerd te worden – met toegangskaartjes tot een eigen evenement bijvoorbeeld – terwijl dat in de andere settings echt niet kan.

De eerste hypothese, over de opportuniteitskosten, kon niet worden bevestigd. In een aantal situaties lijkt het “noblesse oblige” effect van meer belang te zijn: niet de misgelopen inkomsten, maar de sociale status bepaalt of iemand als vrijwilliger wordt gezien. Niet de hoogst betaalde wordt gezien als vrijwilliger – die laat volgens de hypothese het meest liggen voor het doen van vrijwilligerswerk – , maar juist de laagst betaalde – daarvan wordt het op grond van status minder verwacht en wordt het vrijwilligerswerk daarom meer gewaardeerd.

De tweede hypothese, over bekendere vrijwilligersorganisaties, lijkt te worden bevestigd. Hier spelen verschillen per setting een rol, maar als je uitgaat van de hypothese zit je er in veel situaties in vrijwel alle settings wel goed mee. Wat hier meespeelt is dat het moeilijk is om bepaalde als voorbeeld gebruikte organisaties, die vaak aan bepaalde settings zijn gebonden, te “vertalen” naar andere organisaties voor andere settings.

De derde hypothese, over veeleisender vrijwilligerswerk, wordt bevestigd in de zin dat de persoon die het werk doet, meer als vrijwilliger wordt gezien. Een directeur die zegt iets vrijwillig te organiseren, maar het echte werk door een assistent laat doen wordt minder als vrijwilliger gezien dan de assistent – die geen vrije wil heeft en betaald wordt. Een baby die meegaat naar moeder’s vrijwilligerswerk wordt ook overal als “zeker geen vrijwilliger” gescoord: geen netto kosten en geen vrije wil.

De vierde hypothese, over de mate van vergoeding, wordt in alle settings duidelijk bevestigd. Hoe meer je er voor terug krijgt, hoe minder je als vrijwilliger wordt gezien. Je moet echt netto-kosten maken – kosten als moeite, inzet, keurslijf enzovoort vermindert met opbrengsten als vergoeding, kaartjes, groter netwerk enzovoort -, anders wordt je niet gezien als vrijwilliger! Je moet echt investeren…niet ruilen. Zie ook hier.

De laatste hypothese, over de maatschappelijke opbrengsten als de netto-kosten gelijk zijn, werd ook bevestigd, met hier en daar een cultureel bepaalde uitzondering. Van twee vrijwilligers die beide dezelfde netto-kosten maken, en die dus eigenlijk evenveel vrijwilliger zouden moeten zijn, zal degene die bij de vrijwilligersorganisatie werkt die de grootste maatschappelijke bijdrage levert toch het meest als vrijwilliger worden gezien. Zo wint “pannetje soep” het dus van veel ander vrijwilligerswerk.

Kortom:
Met uitzondering van de opportuniteitskosten lijkt er dus veel bevestiging te zijn in cultureel zeer verschillende settings voor de netto-kosten hypothese. Blijkbaar wordt er gekeken naar wat het doen van vrijwilligerswerk je direct kost vermindert met wat het je oplevert en wordt er gewoon niet gekeken naar wat je laat liggen om dat vrijwilligerswerk te kunnen doen. Samen met het effect dat van mensen met een hoge status meer wordt verwacht dat ze vrijwilligerswerk doen verklaart de netto-kosten methode goed hoe mensen in bepaalde scenario’s al of niet als vrijwilliger worden gezien.

Literatuur:
Femida Handy, Ram A. Cnaan, Jeffrey L. Brudney, Ugo Ascoli, Lucas C. Meijs en Shree Ranade. Public Perception of “Who is a Volunteer”: An Examination of the Net-cost Approach from a Cross-Cultural Perspective. Voluntas, Vol. 11, Issue 1, 2000, pp. 45-65. Te downloaden via: http://repository.upenn.edu/spp_papers/2 

Delen helpt!
Geplaatst in vrijwilligerswerk | Getagged , , , | Één reactie

Wie is er nu meer vrijwilliger?

Naast de formele definitie van vrijwilligerswerk die meestal wordt gehanteerd – onbetaald, onverplicht, in georganiseerd verband en ten gunste van anderen of de samenleving – bestaat er ook een intuïtief beeld van wat vrijwilligerswerk is. Zowel de definitie als dat intuïtieve beeld zijn niet zomaar willekeurig. Achter beide schuilt heel wat onderzoek en denkwerk, dat de moeite waard is als je wilt begrijpen hoe er tegen “vrijwilliger zijn” aan wordt gekeken.

Ram Cnaan, Femida Handy en Margaret Wadsworth publiceerden in 1996 een artikel waarin ze definities en beelden over wie in welke mate als vrijwilliger wordt beschouwd onderzochten. Ze deden dat omdat ze merkten dat “vrijwilliger zijn” tot dan toe voornamelijk leek te worden bepaald door het feit dat het “onbetaald” moest zijn: vrijwilligerswerk was alles waarvoor je niet werd betaald.
Uitgaande van een groot aantal – voornamelijk Amerikaanse – definities in de literatuur bekeken ze welke factoren allemaal een rol spelen. Ze kwamen tot een setje van vier dimensies: “vrije keuze”, “vergoeding”, “structuur” en “wie profiteert”. Deze dimensies zaten in alle definities, maar in verschillende mate: er waren strenge definities en wat “rekkelijker” opvattingen. Ze konden alle definities een plaats geven als er binnen elke dimensie een aantal categorieën werd ingesloten. Zo ontstond de volgende lijst:

Dimensies en categorieën bij vrijwilligerswerk

DimensieCategorieën
Vrije keuze1.Vrije wil (het is mogelijk echt vrijwillig te kiezen)
2.Min of meer ongedwongen
3.Verplichting tot vrijwilligerswerk
Vergoeding1.Geen sprake van
2.Er wordt geen beloning verwacht
3.Onkostenvergoeding
4.Beurs / kleine betaling
Structuur1.Formeel
2.Informeel
Wie profiteert?1.Anderen / vreemden
2.Vrienden of familie
3.Ook vrijwilliger zelf

De categorieën zijn zo gekozen, dat ze van streng naar rekkelijk gaan als het nummer ervoor stijgt. Als iemand van mening is dat een bepaald nummer nog net onder zijn of haar beeld van vrijwilligerswerk valt, dan is het meestal ook zo dat de lagere nummers als vrijwilligerswerk worden beschouwd, maar de hogere niet meer. De in de eerste alinea gebruikte definitie is dus een strenge – het zijn overal de eerste categorieën -, hoewel in Nederland een onkostenvergoeding – van echt gemaakte kosten – geen afbreuk doet aan het beeld van vrijwilligerswerk.

Als onderliggende verklaring voor de bruikbaarheid van de dimensies en categorieën in de beeldvorming gebruiken de auteurs het begrip “netto kosten” voor de vrijwilliger. Grofweg betekent dat: wat het de vrijwilliger kost – aan moeite, tijd, inzet – vermindert met wat het oplevert – aan reputatie, geld, netwerk. Dat is geen exacte rekensom, maar een denktrant. Bij dezelfde opbrengsten zal iemand die meer inzet toont – hogere kosten maakt – meer als vrijwilliger worden gezien. Bij dezelfde inzet – dezelfde kosten – zal iemand die er minder voor terug krijgt – minder opbrengsten – evenzo meer als vrijwilliger worden beschouwd. De categorieën die zijn opgesteld gaan dus steeds in de richting van lagere netto kosten naarmate het nummer stijgt.

Om te testen of het ook echt zo werkt stelden de onderzoekers een lijst op met 23 verschillende beschrijvingen van vrijwilligerswerk. Verschillende dimensies en categorieën werden verwerkt in de beschrijvingen, zodat er gevarieerd werd in de netto kosten die de vrijwilliger in de beschrijving maakt. Een groot aantal proefpersonen, 514 in totaal, zette de beschrijvingen op volgorde van “meest vrijwilligerswerk” naar “minst vrijwilligerswerk”.
Bovenaan eindigde bijvoorbeeld steevast “een volwassene die tijd besteedt om een Big Brother / Big Sister te zijn” en onderaan “een van fraude verdachte accountant die een taakstraf van 250 uur uitvoert om aan vervolging te ontkomen”. De netto kosten voor de eerste zijn het hoogst (onverplicht, onbetaald, in formeel verband, ten dienste van anderen) en voor de accountant het laagst: die heeft als opbrengst dat hij niet vervolgd wordt en van vrijwilligheid is geen sprake. In principe is er dus een methode beschikbaar om in te schatten in welke mate iets als vrijwilligerswerk wordt gezien.

De onderzoekers merken verder op dat de aan de proefpersonen voorgelegde beschrijvingen eveneens lijken te suggereren dat de mate waarin iets als vrijwilligerswerk wordt gezien, ook wordt bepaald door sociale status en culturele normen: “noblesse oblige” lijkt te gelden. Een arts die vrijwillig een presentatie voor andere artsen geeft doet eigenlijk geen vrijwilligerswerk; maar als hij of zij in een daklozenopvang soep opschept weer wel. Naast de rekensom in netto-kosten speelt dus cultuur ook een rol.

Een opmerkzame lezer zou nu kunnen zeggen dat dat allemaal heel mooi is, maar dat dit alleen geldt voor de Verenigde Staten. Daarover later nog eens een post, want het effect is universeler..

De literatuur:
Ram A. Cnaan, Femida Handy, Margaret Wadsworth. Defining Who is a Volunteer: Conceptual and Empirical Considerations.
Nonprofit and Voluntary Sector Quarterly, 1996 25: 364
DOI: 10.1177/0899764096253006

Delen helpt!
Geplaatst in vrijwilligerswerk | Getagged , , , , | Één reactie

Krijgen vrijwilligers meer kinderen?

Over het ontstaan van samenwerking en pro-sociaal gedrag is al heel wat gespeculeerd. Wanneer je er over nadenkt of samenwerking wel gunstig is voor de mensen die het doen, kom je vanzelf terecht op het ‘prisoners dilemma’ waaruit blijkt dat rationele geesten niet zo gauw samen gaan werken: je weet niet of de ander wel te vertrouwen is. Omdat we het als mensen toch veel doen, moet er dus iets anders spelen dan alleen die rationele afweging. Vaak zijn dat emoties, die dan de rationele overwegingen overvleugelen, zoals trouw of compassie. Er zijn wetenschappers die het ontstaan van deze emoties toeschrijven aan het evolutionaire voordeel dat mensen zouden hebben die die emoties vertonen: ze werken meer samen en hebben daarmee een grotere kans op overleven.

Er wordt veel praktijkonderzoek gedaan naar samenwerking en de mechanismen die er aan ten grondslag liggen, maar het blijft allemaal toch wat beperkt tot laboratorium-settings – met veel studenten. Evolutionair biologen kunnen verder heel goed rekenen aan en simulaties uitvoeren over de omstandigheden waaronder samenwerking – of pro-sociaal gedrag – evolutionair stabiel gedrag is, maar ook dat blijft een hoog theoretisch gehalte houden, hoe nuttig en verhelderend het ook is. Het mooiste zou zijn als je gewoon kon laten zien dat pro-sociaal gedrag evolutionaire voordelen heeft.

Laten twee wetenschappers nu geprobeerd hebben juist dat te doen. Martin Fieder en Susanne Huber bedachten dat het op basis van een langlopend onderzoek in de Verenigde Staten, de Wisconsin Longitudinal Study,  mogelijk zou moeten zijn om uit te zoeken of mensen die pro-sociaal gedrag vertonen meer kinderen krijgen dan mensen die dat gedrag niet vertonen. Wanneer pro-sociaal gedrag evolutionaire voordelen heeft,  zouden pro-sociale mensen meer kinderen moeten hebben: zo verspreidt een gunstige eigenschap zich door een populatie. De “fitness” van pro-sociale mensen zou hoger zijn.

De resultaten staan in de volgende grafieken:

Grafiek a laat zien dat voor mannen pro-sociaal gedrag samen lijkt te gaan met een groter gemiddeld aantal kinderen. Grafiek b laat zien dat bij vrouwen pro-sociaal gedrag samen lijkt te gaan met een gemiddeld lager aantal kinderen. De auteurs hebben nog wat andere statistiek losgelaten op hun veronderstellingen en ze concluderen – net als de reviewers van het artikel blijkbaar – dat het effect echt bestaat.

Voor mannen is dat precies wat ze verwacht hadden: pro-sociaal zijn is een voordeel. Voor vrouwen lijkt dat echter niet uit te komen. De mogelijke verklaring dat vrouwen zich volledig aan hun liefdadigheid wijden en niet aan een huwelijk verwerpen ze. Voor mannen zouden voordelen in “direct fitness” een rol spelen omdat ze heel veel kinderen zouden kunnen verwekken; voor vrouwen zouden het misschien meer voordelen in “indirect fitness” zijn, vanwege de beperking in het aantal mogelijke kinderen.

Ongeacht de mogelijke andere verklaringen – en ik ben benieuwd of er lezers zijn die daar goede ideeën over hebben – blijft het een intrigerend resultaat. Ik ben benieuwd of het gereproduceerd kan worden. Heeft er iemand nog een stevige database met de juiste gegevens liggen?  En het meest interessant is natuurlijk of de verklaring die de auteurs aangeven ook echt klopt, dat pro-sociaal zijn echt voordelig is voor je “fitness”.

De literatuur:
Fieder M, Huber S (2012) The Association between Pro-Social Attitude and Reproductive Success Differs between Men and Women. PLos ONE 7(4): e33489. doi:10.1371/journal.pone.0033489

René Bekkers van de VU heeft met behulp van de gegevens van Geven in Nederland laten zien dat het effect in Nederland niet wordt gevonden. link naar post RB 

Delen helpt!
Geplaatst in vrijwilligerswerk | Getagged , , , , | 4 Reacties

Nonprofits en sociale netwerken

Soms wordt wel eens gevraagd of nonprofits iets zouden kunnen hebben aan sociale media. Dat je tegenwoordig geen reclame meer kunt zien zonder een verwijzing naar een Facebook-pagina ontgaat deze vragers dan blijkbaar. Nu is toepassing in de commerciële wereld misschien wel wat meer voor de hand liggend, maar dezelfde vragen – bekendheid en geld – gelden natuurlijk ook bij nonprofits. Is er iets meer te vinden over dit onderwerp dan alleen meningen?

Natuurlijk. Zo heeft een groep, bestaande uit NTEN, Common Knowledge en Blackbaud, voor de vierde keer een benchmark uitgevoerd over het gebruik van sociale media door nonprofits, in de Verenigde Staten. In januari en februari van 2012 werden – online natuurlijk – professionals uit nonprofits ondervraagd over hun gebruik van sociale media. Uiteindelijk werden 3522 lijsten terug ontvangen. De respons bevat een breed scala aan typen nonprofits en for-profit was met minder dan een procent vertegenwoordigd. Zowel kleine vrijwilligersorganisaties als grote multinationale nonprofits leverden hun vragenlijsten in.

Er werd in de benchmark een onderscheid gemaakt tussen commerciële sociale media als Facebook, LinkedIn en Twitter en eigen “in-huis” sociale media. De commerciële sociale media komen “gevuld met potentiële deelnemers” en de ‘in-huis” netwerken moeten hun eigen deelnemersbestand van nul af aan zelf opbouwen.

Een paar resultaten uit de benchmark

  • Ruim 93% van de nonprofits gebruikt een commercieel sociaal netwerk. Facebook en Twitter gaan als een speer, LinkedIn wat minder, MySpace krimpt en Google+ komt op. Gemiddeld heeft een nonprofit 2.9 accounts of pagina’s op Facebook.
  • Facebook kan eigenlijk nauwelijks meer groeien in aantal nonprofits dat het gebruikt: vrijwel iedereen doet dat al. Alleen de gemiddelde grootte van de opgebouwde community neemt nog toe. Gemiddeld was dat ruim 8000 in 2012.
  • Twitter blijft stevig groeien en heeft een gemiddelde community-grootte van ruim 3000 in 2012.
  • Marketing en fundraising zijn de voornaamste doelen van aanwezigheid op commerciële sociale netwerken, gevolgd door inzet bij de uitvoering van eigen core-business.
  • 20% vindt de gebruikte commerciële sociale netwerken “erg waardevol”, 61% “best wel waardevol” , 16% “niet erg waardevol” en 4% heeft er naar eigen zeggen niets aan.
  • De meeste nonprofits – 56% – besteden 1/4 fte aan het onderhouden van hun commerciële sociale netwerken, 12% 1/2 fte en 10% 3/4-1 fte. Van nonprofits verwacht 42% dat hun inzet zal groeien; 55% verwacht dat de inzet stabiel zal blijven.
  • 87% van de nonprofits gebruikt geen “in-huis” sociaal netwerk, 10% gebruikt er 1. De nadruk ligt daarbij dan op uitvoering van de eigen core-business. Er wordt voor een in-huis netwerk meer capaciteit vrijgemaakt dan voor een commercieel sociaal netwerk. Het gemiddelde in-huis netwerk is een kleine 21.800 leden groot.

De benchmark geeft nog veel meer informatie dan hierboven beschreven. Download dit onderzoek  en draag eraan bij dat er ook in 2013 weer een benchmark wordt gedaan. Verder ben ik benieuwd naar gegevens over de inzet in Nederland. Iemand?

Delen helpt!
Geplaatst in nonprofits, vrijwilligerswerk | Getagged , , | Een reactie plaatsen