Wanneer is iemand meer of minder vrijwilliger?

grafiekIn een eerdere post over wat de beeldvorming over vrijwilliger-zijn bepaalt werd een onderzoek uit 1996 van Cnaan, Handy en Wadsworth besproken, dat een instrument beschreef om te kunnen beoordelen wanneer iemand meer of minder als vrijwilliger wordt gezien. Die inschatting lijkt te worden gemaakt op basis van de netto-kosten van het vrijwilligerswerk (kosten als moeite, tijd en misgelopen mogelijkheden vermindert met opbrengsten als vergoeding, status en contacten) en van “noblesse oblige” – van mensen met een hoge sociale status wordt meer vrijwilligerswerk verwacht. Om dit Amerikaanse onderzoek te repliceren – over te doen om het te bevestigen of te ontkrachten – en de theorie verder uit te werken is een groot internationaal vervolgonderzoek opgezet.

Femida Handy, Ram Cnaan, Jeffrey Brudney, Ugo Ascoli, Lucas Meijs en Shree Ranade beschrijven in een artikel uit 2000 een nieuw instrument en een aantal concrete hypotheses over wie in welke situatie als vrijwilliger zal worden gezien en ze doen dat voor meerdere verschillende culturele settings: in Canada, Nederland, Italie, India en de VS.

Om hun hypotheses te kunnen testen verfijnen de auteurs het instrument van Cnaan, Handy en Wadsworth – dat met 23 scenario’s werkt – naar een versie met 50 scenario’s.
In een scenario wordt een korte beschrijving gegeven van een persoon die iets doet, bijvoorbeeld ‘een tiener die vrijwillig maaltijden uitserveert in een opvang voor daklozen’. De proefpersonen in het experiment geven aan in hoeverre ze de tiener beschouwen als een vrijwilliger – op een schaal van 1 – zeker geen vrijwilliger – tot 5 – zeker een vrijwilliger. Zo worden alle scenario’s nagelopen en ontstaat na het scoren een rangorde van wie door de proefpersonen het meest en wie het minst als vrijwilliger wordt gezien.

Waar je bij het onderzoek door Cnaan, Handy en Wadsworth nog zou kunnen zeggen dat de uitkomst alleen voor de VS geldt, is dit vervolgonderzoek met opzet zo breed opgezet dat je mag aannemen dat de resultaten universeler geldig zijn. Die breedte leidt ook weer tot specifieke problemen: de scenario’s moesten worden vertaald en worden aangepast aan de culturele context en dat levert dan weer verrassingen op: wist u dat in India scouting wordt begeleid door leerkrachten? Toch hebben de auteurs voldoende vertrouwen in hun instrument om het uit te zetten onder ruim 3000 mensen in de genoemde 5 landen, waarbij in de VS twee cultureel duidelijk verschillende steden werden meegenomen.

De onderzoekers hebben de volgende hypotheses opgesteld – nuances in hun formuleringen kunnen in de vertaling verloren zijn gegaan:

  1. In vrijwilligerswerk-situaties waarin mensen verschillende opportuniteitskosten¹ hebben bij het uitvoeren van dezelfde vrijwilligers-activiteiten met ongeveer gelijke opbrengsten zal de persoon met de hoogste – waargenomen – opportuniteitskosten meer als vrijwilliger worden gezien. ¹Opportuniteitskosten zijn de opbrengsten die je gehad zou kunnen hebben als je het vrijwilligerswerk niet had gedaan: bijvoorbeeld meer inkomsten door extra uren te werken. Wie meer “laat liggen” om vrijwilligerswerk te gaan doen, wordt meer als vrijwilliger gezien, tenminste als alle andere factoren hetzelfde zijn.
  2. Een persoon die vrijwilligerswerk doet bij een bekende vrijwilligersorganisatie zal meer als vrijwilliger worden beschouwd dan een persoon die dat bij zo maar een vrijwilligersorganisatie doet. De veronderstelling is hier dat er door een bekende vrijwilligersorganisatie hogere eisen gesteld kunnen worden – en dat er dus meer geëist  wordt van de vrijwilliger – dan door een vrijwilligersorganisatie die minder kieskeurig kan zijn.
  3. Iemand die vrijwillig bezig is met een activiteit die wordt gezien als veeleisender zal meer als vrijwilliger worden gezien dan iemand die bezig is met een taak die lagere eisen stelt. Hoe meer je in een keurslijf moet, hoe strakker alles is, hoe meer er van je wordt verwacht, hoe hoger de netto-kosten voor de persoon en hoe meer iemand als vrijwilliger wordt gezien.
  4. Wanneer iemand vrijwilligerswerk doet zonder duidelijke persoonlijke voordelen zal die persoon meer als vrijwilliger worden gezien dan iemand die vrijwilligerswerk doet met een duidelijk persoonlijk voordeel. Persoonlijk voordeel – betaling, gratis kaartjes, behoud van uitkering – is een opbrengst en vermindert daarmee de netto-kosten die iemand maakt door vrijwilligerswerk te gaan doen.
  5. Wanneer personen verschillende vormen van vrijwilligerswerk doen met vergelijkbare persoonlijke netto-kosten, zal de persoon die actief is bij de activiteit die de grootste maatschappelijke opbrengst heeft meer als vrijwilliger worden beschouwd.  Pas wanneer het vrijwilligers even veel “kost” zal de maatschappelijke uitkomst van de activiteiten een rol gaan spelen bij de beoordeling van wat het meest als vrijwilligerswerk wordt gezien. Vrijwilliger zijn wordt in de beeldvorming meer beoordeeld op “hart voor de zaak” dan op de “opbrengst voor de zaak”.

Let wel: dat waren de verwachtingen. Wat kan er op grond van het onderzoek worden geconcludeerd?

Er is grote overeenstemming in alle settings over wat “zeker een vrijwilliger” is. Daarbij past dan geen impliciete of expliciete beloning en wordt verwacht dat er behoorlijk wat tijd en inspanning geleverd moeten worden. En dat dan ook nog eens ten dienste van anderen. De netto-kosten hypothese wordt daarmee dus ondersteund.

Er lijkt iets minder overeenstemming te bestaan over wat “zeker geen vrijwilliger” is: duidelijk is overal dat iemand in scenario’s waarin geen sprake is van vrije wil en/of van hoge netto-kosten al snel als “geen vrijwilliger” wordt beoordeeld. Ook het krijgen van een beloning – in geld of op een andere manier – leidt snel tot het oordeel “geen vrijwilliger”.  Betaalde vergoeding in Nederland leidt altijd tot een lage score op de vrijwilligerschaal. Bij ons is het daarentegen niet erg om ‘in natura’ gecompenseerd te worden – met toegangskaartjes tot een eigen evenement bijvoorbeeld – terwijl dat in de andere settings echt niet kan.

De eerste hypothese, over de opportuniteitskosten, kon niet worden bevestigd. In een aantal situaties lijkt het “noblesse oblige” effect van meer belang te zijn: niet de misgelopen inkomsten, maar de sociale status bepaalt of iemand als vrijwilliger wordt gezien. Niet de hoogst betaalde wordt gezien als vrijwilliger – die laat volgens de hypothese het meest liggen voor het doen van vrijwilligerswerk – , maar juist de laagst betaalde – daarvan wordt het op grond van status minder verwacht en wordt het vrijwilligerswerk daarom meer gewaardeerd.

De tweede hypothese, over bekendere vrijwilligersorganisaties, lijkt te worden bevestigd. Hier spelen verschillen per setting een rol, maar als je uitgaat van de hypothese zit je er in veel situaties in vrijwel alle settings wel goed mee. Wat hier meespeelt is dat het moeilijk is om bepaalde als voorbeeld gebruikte organisaties, die vaak aan bepaalde settings zijn gebonden, te “vertalen” naar andere organisaties voor andere settings.

De derde hypothese, over veeleisender vrijwilligerswerk, wordt bevestigd in de zin dat de persoon die het werk doet, meer als vrijwilliger wordt gezien. Een directeur die zegt iets vrijwillig te organiseren, maar het echte werk door een assistent laat doen wordt minder als vrijwilliger gezien dan de assistent – die geen vrije wil heeft en betaald wordt. Een baby die meegaat naar moeder’s vrijwilligerswerk wordt ook overal als “zeker geen vrijwilliger” gescoord: geen netto kosten en geen vrije wil.

De vierde hypothese, over de mate van vergoeding, wordt in alle settings duidelijk bevestigd. Hoe meer je er voor terug krijgt, hoe minder je als vrijwilliger wordt gezien. Je moet echt netto-kosten maken – kosten als moeite, inzet, keurslijf enzovoort vermindert met opbrengsten als vergoeding, kaartjes, groter netwerk enzovoort -, anders wordt je niet gezien als vrijwilliger! Je moet echt investeren…niet ruilen. Zie ook hier.

De laatste hypothese, over de maatschappelijke opbrengsten als de netto-kosten gelijk zijn, werd ook bevestigd, met hier en daar een cultureel bepaalde uitzondering. Van twee vrijwilligers die beide dezelfde netto-kosten maken, en die dus eigenlijk evenveel vrijwilliger zouden moeten zijn, zal degene die bij de vrijwilligersorganisatie werkt die de grootste maatschappelijke bijdrage levert toch het meest als vrijwilliger worden gezien. Zo wint “pannetje soep” het dus van veel ander vrijwilligerswerk.

Kortom:
Met uitzondering van de opportuniteitskosten lijkt er dus veel bevestiging te zijn in cultureel zeer verschillende settings voor de netto-kosten hypothese. Blijkbaar wordt er gekeken naar wat het doen van vrijwilligerswerk je direct kost vermindert met wat het je oplevert en wordt er gewoon niet gekeken naar wat je laat liggen om dat vrijwilligerswerk te kunnen doen. Samen met het effect dat van mensen met een hoge status meer wordt verwacht dat ze vrijwilligerswerk doen verklaart de netto-kosten methode goed hoe mensen in bepaalde scenario’s al of niet als vrijwilliger worden gezien.

Literatuur:
Femida Handy, Ram A. Cnaan, Jeffrey L. Brudney, Ugo Ascoli, Lucas C. Meijs en Shree Ranade. Public Perception of “Who is a Volunteer”: An Examination of the Net-cost Approach from a Cross-Cultural Perspective. Voluntas, Vol. 11, Issue 1, 2000, pp. 45-65. Te downloaden via: http://repository.upenn.edu/spp_papers/2 

Delen helpt!
Dit bericht is geplaatst in vrijwilligerswerk met de tags , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *