Welke soorten vrijwilligerswerk worden gedaan?

In het COS-onderzoek ‘Vrijwilligerswerk en informele hulp in Rotterdam 2011‘ is, net als in de voorgaande afleveringen, onderzocht hoeveel vrijwilligers bij welke soorten vrijwilligerswerk betrokken zijn. Er is een mooie tabel beschikbaar waaruit een vrij simpele conclusie kan worden getrokken. Eerst de tabel voor de laatste 10 jaar:

Deelnamepercentage vrijwilligerswerk naar soort door de jaren

Soort vrijwilligerswerk200120032005200720092011
Totaal32%33%30%31%30%32%
Hulp/bezoek zieken, bejaarden, gehandicapten7%7%5%6%7%6%
Andere hulp- en dienstverlening3%1%2%2%2%2%
Kinderopvang4%4%3%2%2%2%
Jeugd- en jongerenwerk5%3%3%3%3%4%
Onderwijs5%5%5%6%5%5%
Kerk, moskee, levensbeschouwelijke organisatie8%8%7%8%8%7%
Politieke organisatie2%1%1%2%2%2%
Beroeps- of belangenorganisatie3%2%2%3%%33%
Vrouwenorganisatie3%2%2%2%1%2%
Culturele organisatie5%4%3%3%3%5%
Sportorganisatie10%9%9%9%8%8%
Actie- of milieugroep2%1%2%2%2%2%
Overige organisaties8%8%7%8%8%10%

Duidelijk wordt dat in de sport het meeste vrijwilligerswerk wordt gedaan: 8% van de Rotterdammers van 13 tot en met 75 – dus een kwart van de 32% die vrijwilligerswerk doet -, op de voet gevolgd door kerk, moskee en levensbeschouwelijke organisaties met 7%. Zorg volgt met 6% en onderwijs met 5%. Alle soorten samen tellen op tot veel meer dan 32%, maar dat komt dan weer omdat vrijwilligers in meerdere – 1.8 om precies te zijn – soorten vrijwilligerswerk actief zijn.

Er zijn eigenijk geen significante verschuivingen: de situatie is gewoon stabiel.

Delen helpt!
Geplaatst in vrijwilligerswerk | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Vrijwilligerswerk in deelgemeenten

Het rapport ‘Vrijwilligerswerk en informele hulp in Rotterdam 2011‘ van het Centrum voor Onderzoek en Statistiek bevat veel informatie over vrijwilligers en vrijwilligerswerk. Voor de omvang van het vrijwilligerswerk in de afzonderlijke deelgemeenten is een mooie tabel opgenomen. Per deelgemeente is zo de ontwikkeling van het percentage vrijwilligers in de loop van de jaren te volgen.

Percentage vrijwilligers in de verschillende deelgemeenten voor verschillende jaren.

Deelgemeente2005200720092011
Totaal30%31%30%32%
Rotterdam Centrum27%30%(28%)31%
Delfshaven31%32%29%35%
Overschie26%31%(36%)32%
Noord27%28%(27%)34%
Hillegersberg-Schiebroek(36%)36%(31%)34%
Kralingen-Crooswijk33%33%31%33%
Feijenoord31%31%27%30%
IJsselmonde28%27%28%29%
Pernis(20%)(31%)(41%)(56%)
Prins Alexander29%35%32%34%
Charlois27%28%30%(34%)
Hoogvliet(27%)27%(31%)18%
Hoek van Holland37%45%(49%)39%
Rozenburg(31%)

De gegevens tussen haakjes zijn gebaseerd op een zo kleine steekproef (minder dan 200), dat ze slechts als een indicatie mogen worden gebruikt. Uit de tabel kan worden opgemaakt dat met name Hoogvliet laag scoort op het gebied van vrijwilligerswerk. Van de meeste deelgemeenten kan worden gesteld dat ze binnen de foutmarges van 5 tot 6 procent voor deze steekproefgrootte wel ongeveer op het gemiddelde niveau zitten, waarbij Pernis (indicatief) en Hoek van Holland positieve uitschieters zijn.

Ook relevant voor deelgemeenten is dat op de vraag aan vrijwilligers voor wie ze hun vrijwilligerswerk doen, 20% kiest voor de optie “voor de mensen in de eigen wijk”, dat 26% kiest voor de optie ” voor mensen in de eigen wijk maar ook voor anderen” en dat 57% alleen werkt voor mensen buiten de eigen wijk. Ook bij informele hulp liggen die verhoudingen vergelijkbaar. Het lijkt er zeker niet op dat vrijwilligers en informele helpers voornamelijk gericht zijn op de eigen wijk.

Kortom:
Al met al is er over de deelgemeenten afzonderlijk dus maar in hele grove lijnen iets te zeggen – ongeveer gemiddeld – en wordt duidelijk dat vrijwilligers breder kijken dan de eigen wijk. Geen verrassingen dus.

Delen helpt!
Geplaatst in vrijwilligerswerk | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Vrijwilligerswerk en informele hulp in Rotterdam 2011

Zoals elke twee jaar gebruikelijk is heeft Paul de Graaf van het Centrum voor Onderzoek en Statistiek weer een ‘state of the union’ voor het vrijwilligerswerk in Rotterdam samengesteld, in opdracht van de dienst SoZaWe van de gemeente Rotterdam. Op basis van een vragenlijst die uiteindelijk door 2692 Rotterdammers van 13 tot en met 75 jaar is ingevuld wordt een beeld geschetst van de stand van zaken in 2011, aan de hand van bekende en van nieuwe vragen. Het rapport gaat over informele hulp – niet in georganiseerd verband – en over vrijwilligerswerk, dat per definitie wel in georganiseerd verband wordt uitgevoerd. In deze post even alleen de resultaten voor het vrijwilligerswerk.

Een greep uit de conclusies van het rapport:

  • 32% van de Rotterdammers van 13 tot en met 75 jaar deed in 2011 aan vrijwilligerswerk. In 2009 was dat nog 30%. De schatting van het aantal vrijwilligers gaat daarmee van 140.000 in 2009 naar 155.000 in 2011.
  • Vrijwilligerswerk wordt het meest gedaan in de sport, levensbeschouwelijke organisaties, zorg en onderwijs. Een vrijwilliger doet zijn of haar werk gemiddeld in 1.8 soorten organisaties: je komt ze dus op meer plaatsen tegen. Dit wijkt nauwelijks af van de situatie in 2009.
  • Vrijwilligers werken – en dat is een nieuwe vraag geweest – voor 20% alleen voor de mensen uit de eigen wijk, voor 26% voor de mensen in de eigen wijk maar ook voor anderen en voor 54% alleen voor mensen buiten de eigen wijk. Voor mijn rekening komt dan de conclusie dat vrijwilligerswerk voor het overgrote deel niet wijkgericht is.
  • Mannen en vrouwen zijn even vaak vrijwilliger. Jongeren zijn nog iets minder vaak vrijwilliger dan gemiddeld, maar de steekproef is wel erg dun aan die kant van het leeftijdsspectrum. De trend is in ieder geval van dalende deelname omgebogen in een stijgende.
  • Vrijwilligerswerk wordt meer gedaan naarmate men hoger is opgeleid. Van de laagst opgeleiden doet 27% vrijwilligerswerk, van de hoogst opgeleiden 41%. Helemaal in lijn met de vorige post.
  • De deelname van niet-westerse allochtonen aan vrijwilligerswerk is veel lager dan die van autochtonen: 26% tegenover 35%. De dalende tendens in deelname van de laatste jaren lijkt te zijn gestopt, maar de achterstand stijgt door de groei van de autochtone deelname. Niet-westerse allochtonen zijn actiever in meer soorten vrijwilligerswerk: 2,7 soorten tegenover 1,5 soorten organisaties.
  • Mensen met een uitkering doen ruim meer dan gemiddeld – 42% – vrijwilligerswerk. Ook gepensioneerden hebben hun inhaalrace volgehouden met 35%.
  • Waar in 2009 nog werd geschat dat het aantal uren per week aan vrijwilligerswerk uitkwam op 510.000, moet dat aantal nu worden geschat op 325.000.  Nu zal 2009 een uitschieter naar boven zijn geweest en blijken de vragen over 2011 relatief onvolledig te zijn ingevuld, maar dit verdiend wel de nodige aandacht. Ook nu weer een scheve inzet: de 5% actiefsten van de onbetaalde werkers (dus inclusief informele hulp) levert 29% van de uren, en de 65% van de minst actieven levert 22% van de uren. De ‘civic core’ of de zwaargewichten zijn er dus nog steeds.
  • Van de huidige vrijwilligers zegt 26% nog wel wat meer te willen doen. In 2009 was dat nog 21%. Van de niet-vrijwilligers zegt 11% wel wat te willen gaan doen – indien daarom gevraagd. Dat was 10% in 2009. Deze latente beschikbaarheid is, in 2011 gemiddeld 16%, ten opzichte van 2009 – met gemiddeld 13% – dus iets toegenomen. De potentiële aanwas zit vooral bij vrouwen, mensen van 25 tot 40 en mensen met betaald werk en hoger opgeleiden. Bij gepensioneerden en echtparen zonder kinderen is de animo gering. De grote meerderheid van de aanwas zegt indien gevraagd bereid te zijn vrijwilligerswerk voor de eigen wijk te overwegen.
  • 18% van de vrijwilligers heeft het idee teveel verantwoordelijkheid te moeten dragen. 12% heeft het gevoel dingen te doen die eigenlijk door betaalde krachten zouden moeten worden opgepakt.
  • 57% van de vrijwilligers zegt voldoende ondersteuning te ervaren, 3% vindt dat die steun in het geheel ontbreekt, 7% dat het er te weinig is en voor 33% maakt het niet zoveel uit of doet het niet ter zake.
  • 11% van de vrijwilligers besteedt meer tijd aan hun vrijwilligerswerk dan ze eigenlijk zouden willen. 13% vindt dat er door het doen van vrijwilligerswerk te weinig tijd overblijft voor andere leuke dingen.

Er is nog een aparte sectie met vragen voor vrijwilligers in de zorg. Ook over vrijwilligerswerk in de deelgemeenten valt nog wel wat te zeggen. Dat komt in latere posts aan de orde.

Paul de Graaf, Vrijwilligerswerk en informele hulp in Rotterdam 2011, resultaten uit het Vrijetijdsonderzoek 2011, Centrum voor Onderzoek en Statistiek, in opdracht van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid, februari 2012. Hier te downloaden van de website van de gemeente Rotterdam.

Delen helpt!
Geplaatst in vrijwilligerswerk | Getagged , , , , , | 4 Reacties

Opleiding en vrijwilligerswerk

Een zekerheid uit de jarenlange metingen van het Centrum voor Onderzoek en Statistiek over vrijwilligerswerk in Rotterdam: hoger opgeleiden doen vaker vrijwilligerswerk dan lager opgeleiden. Van 20% van de lager opgeleiden tot 41% van de hoger opgeleiden. Meting na meting. Twee onderzoekers van de Radboud Universiteit, Maurice Gesthuizen en Peer Scheepers, onderzochten waarom dat zo zou kunnen zijn en – en dat is op zich erg interessant –  hoe dat in verschillende landen uiteenloopt en waarom dat dan weer zo is. Daar valt dan – in theorie – veel van te leren over hoe een maatschappij zo moet worden ingericht – als je dat al kunt en wilt – dat er meer vrijwilligerswerk wordt gedaan.

Bestaat het verschil echt?
In 17 onderzochte landen werd telkens weer gevonden dat lager opgeleiden minder vrijwilligerswerk doen dan hoger opgeleiden. In sommige landen is dat verschil groot, zoals bijvoorbeeld in Hongarije, waar 25% van de lager opgeleiden en bijna 60% van de hoger opgeleiden vrijwilligerswerk doet. In Nederland is dat bijna 39% tegen ruim 48%. Het effect is dus robuust aanwezig en verschilt duidelijk per land, en is daarmee dus duidelijk contextgevoelig. Ook het percentage vrijwilligers per land verschilt sterk, van hekkesluiter Italië met 19% tot koploper Zweden met 63%.
Aan een vergelijking met Rotterdam waag ik me niet, want de manier van het bepalen of iemand vrijwilligerswerk doet of niet verschilt sterk tussen dit onderzoek en dat van het COS.

Wat verklaart het verband tussen opleiding en vrijwilligerswerk?
De onderzoekers gaan uit van twee niveaus van verklaring: het kunnen persoonlijke eigenschappen zijn en het kunnen maatschappij-effecten zijn, die per land verschillend uitpakken. In hun onderzoek hebben ze ruim 40.000 met zorg uitgezochte proefpersonen gebruikt in 17 landen. Met allerhande statistische technieken worden veronderstellingen over mogelijke persoonlijke eigenschappen en maatschappij-effecten uitgeplozen en uit elkaar gerafeld. Waar al bekend was dat opleiding een groot verschil maakt, is nog niet eerder zo duidelijk aangetoond dat dat effect per land zo verschillend kan uitpakken. De context – het land, of beter een specifieke eigenschap van een land – speelt dus een belangrijke rol.

Verreweg de belangrijkste persoonlijke factor is de individuele cognitieve vaardigheid. Het effect van opleiding werkt dus – even de subtiliteiten die achter cognitieve begaafdheid liggen ter zijde geschoven – via ‘slim’ zijn. Hoe slimmer, hoe meer aan vrijwilligerswerk wordt gedaan. En hoe slimmer, hoe hoger het opleidingsniveau. En zo vindt je dus dat opleiding en vrijwilligerswerk samenhangen. Een tweede factor was het hebben van werk met een hoge status. Mensen met deze eigenschap zijn interessanter voor vrijwilligersorganisaties – en hebben vaker een hogere opleiding gehad. Een derde factor was het wereldbeeld van mensen: een breder wereldbeeld, met meer aandacht voor collectieve problemen, leidt tot meer vrijwilligerswerk. Mensen met deze eigenschap zijn vaker hoog opgeleid.

Wanneer rekening wordt gehouden met bovenstaande verbanden kan worden gekeken hoe de context, de eigenschappen van het land, een rol spelen. Dan wordt gevonden dat in die landen waar de verschillen in cognitieve vaardigheden tussen middelhoog en lager opgeleiden groter zijn, ook de verschillen in het doen aan vrijwilligerswerk groter zijn. Ook sociale selectiemechanismen spelen een rol: hoe meer lager opgeleiden met lager opgeleide ouders er zijn, hoe groter de effecten van opleiding op het doen van vrijwilligerswerk worden. Tenslotte werd bewijs gevonden voor een effect dat samenhangt met de grootte van de groep laagopgeleiden: als dat een kleine groep is, is het verschil tussen vrijwilligerswerk door hoger en lager opgeleiden groter. De grootte van die groep is dan een signaal voor de maatschappij dat er iets mankeert aan die groep, dat ze blijkbaar essentiële competenties missen.

De onderzoekers sluiten af met de constatering dat afhankelijk van het land, de factoren soms dezelfde kant op wijzen – allemaal negatief of allemaal positief -, maar dat het ook mogelijk is dat factoren elkaar tegenwerken of neutraliseren. De Nordische landen zijn dan voorbeelden van landen met relatief lage verschillen in cognitieve vaardigheden en waar relatief weinig laagopgeleiden met laagopgeleide ouders zijn. Dat zorgt dan voor een relatief klein effect van opleiding op vrijwilligerswerk. Waarmee een mooi bruggetje ontstaat naar de vraag hoe belangrijk de verzorgingsstaat daarmee voor dit effect is.

Ben ik ook nog benieuwd naar de effecten van al die factoren op het gemiddelde niveau van vrijwilligerswerk!

Maurice Gesthuizen, Peer Scheepers.  Educational Differences in Cross-National Perspective: individual and Contextual Explanations. Nonprofit and Voluntary Sector Quarterly, published online 22-10-2010.

Delen helpt!
Geplaatst in vrijwilligerswerk | Getagged , , , | Één reactie

Maakt stadslucht vrij?

Er zijn een paar dingen die zo voor de hand liggen dat je ze gemakkelijk voor waar aanneemt. Een ervan is dat hoe stedelijker de omgeving is, des te minder vrijwilligerswerk er wordt gedaan. Dat is dan omdat de grote stad leidt tot minder sociale controle – stadslucht maakt vrij -, daarmee tot minder sociale cohesie en daardoor weer tot minder vrijwilligerswerk. Daar zijn best aanwijzingen voor, maar af en toe komt er dan toch weer een onderzoek langs dat je aan het twijfelen brengt.

Vlaanderen
Marc Hooghe en Sarah Botterman onderzochten of de mate van verstedelijking in Vlaanderen van invloed was op het lidmaatschap van ‘voluntary associations’. Nu is dat laatste begrip vanuit Engelstalige literatuur vaak wat moeilijk te duiden naar ons begrip vrijwilligerswerk, maar gelukkig is de vragenlijst als bijlage toegevoegd en daaruit wordt duidelijk dat we er best ons begrip vrijwilligerswerk onder mee kunnen nemen. De auteurs gingen uit van de bovenstaande – standaard – verwachting: kleinere gemeenschappen zouden een grotere sociale samenhang hebben en daarmee meer vrijwilligerswerk.

Geen kloof te vinden
De resultaten van hun onderzoek spreken dat tegen. Er zijn geen echte aanwijzingen dat factoren die samenhangen met verstedelijking – zoals bevolkingsdichtheid – van invloed zijn op intensiteit of omvang van vrijwilligerswerk. De auteurs geven zelf een aantal verklaringen, waaronder dat België een dichtbevolkt land is, waar iedereen eigenlijk al wel toegang tot collectieve voorzieningen heeft en waarin in het verleden al een sterke civil society infrastructuur is opgebouwd… er is eigenlijk geen ‘platteland’ meer. Het lijkt er dus niet op dat sociale verbanden in deze context in steden eroderen. Geen kloof dus tussen stad en platteland.

Toch een verschil
Toch zou je nog kunnen verwachten dat verstedelijking verschillend aangrijpt op verschillende typen vrijwilligerswerk: het ene type bloeit, het andere type verwelkt in een grote stad. De onderzoekers vinden inderdaad dat ouderenorganisaties en op het gezin gerichte organisaties het minder goed doen in grote steden. Dit zijn van oorsprong sterke massabewegingen met goed georganiseerde lokale afdelingen, vaak ook nog met sterke religieuze achtergrond.  Verder draaien deze clubs om een enkel onderscheidend aspect: oud(er) zijn of kinderen hebben. Dat is voor op het platteland – met weinig andere mogelijkheden – blijkbaar nog voldoende voor veel aanhang, maar in steden kunnen ouderen of gezinnen ook op andere manieren aan hun trekken komen. Want dat doen ze dus wel: ze zijn in steden even actief als in niet-verstedelijkte gebieden. Niet minder, maar anders.

Er lijkt dus – in Vlaanderen althans – geen sprake te zijn van een tweedeling tussen wel en niet verstedelijkte gebieden. En dat is eigenlijk best verrassend.

Marc Hooghe, Sarah Botterman. Urbanization, Community Size, and population Density: is there a Rural-Urban Divide in Participation in Voluntary Organizations or Social Network Formation? Nonprofit and Voluntary Sector Quarterly, published online 22 -2-2011.

Delen helpt!
Geplaatst in vrijwilligerswerk | Getagged , , , | 3 Reacties

Pensioen en vrijwilligerswerk

Artikel Einolf babyboomersIn een post over keerpunten en vrijwilligerswerk kwam de invloed van een keerpunt als een kind of een scheiding op het doen van vrijwilligerswerk aan de orde. Met deze post is er aandacht voor de invloed van pensioen. Met de grote groep babyboomers die eraan begint te komen is dat van belang voor een schatting van het toekomstige aantal vrijwilligers.

Wat het effect is van met pensioen gaan is niet gemakkelijk te voorspellen: aan de ene kant krijgen mensen meer tijd – en dus ook meer mogelijkheden voor vrijwilligerswerk -, maar aan de andere kant gaat een groot deel van het netwerk van mensen door het stoppen met werken verloren. Beide aspecten spelen een belangrijke rol en compenseren elkaar grotendeels. Pensionados doen dus gewoonlijk niet veel meer aan vrijwilligerswerk dan ongeveer even oude nog-niet-gepensioneerden. Als ze het wel gaan doen, doen ze het meestal met inzet van meer tijd. Voorspellen is daarmee lastig – vooral nu het om de toekomst gaat – en daarom heeft Christopher Einolf zijn onderzoek in de VS gericht op twee vragen:

  1. Hoe zit het met het doen van vrijwilligerswerk in de drie opeenvolgende generaties ouderen? Verschillen de opeenvolgende generaties in percentage vrijwilligers en uren?
  2. Gaat ‘onze’ pensioengerechtigde generatie, de baby-boomers, nu dan meer of minder doen aan vrijwilligerswerk dan vroegere generaties?

Het antwoord op de eerste vraag was relatief eenvoudig te vinden in al beschikbare gegevens. Mensen geboren tussen 1926 en 1935 – voor het gemak maar even de vooroorlogse generatie – deden minder aan vrijwilligerswerk dan de stille generatie – geboren tussen 1936 en 1945 – en die deed weer minder vrijwilligerswerk dan ‘onze’ babyboomgeneratie – geboren tussen 1946 en 1955. Dit natuurlijk gebaseerd op hun gedrag op dezelfde leeftijd en daarom in verschillende ijkjaren. Dat vroeger alles beter was kan voor een heleboel dingen waar zijn, maar dus niet voor vrijwilligerswerk – in ieder geval niet in de VS.

Het wordt dus allemaal steeds beter. Dan de tweede vraag: wat mogen we van de babyboomers verwachten? Daarvoor keek Einolf naar een aantal factoren die het doen van vrijwilligerswerk voorspellen. Dat waren er negen: nu-al-vrijwilligerswerk-doen, religieuze giften, niet-religieuze giften, opleiding, gezondheid, kerkgang, gerichtheid-op-welzijn-van-anderen, algemeen vertrouwen en bijwonen-van-bijeenkomsten. Einolf onderzocht hoe de stille generatie en de babyboomers scoren op die voorspellende factoren. We weten uit ervaring wat de resultaten voor de stille generatie waren, dus de vergelijking van de factoren geeft informatie over wat verwacht kan worden van de babyboomers.

En daar wordt het weer moeilijk: de babyboomers scoren hoger op de twee belangrijkste factoren, nu-al-vrijwilligerswerk-doen en opleiding, en lager op religieuze giften en kerkgang. Na wat statistische bewerkingen komt Einolf tot de conclusie dat bijna 50% van de babyboomers vrijwilligerswerk gaat doen (was 49% bij de stille generatie) en dat ze ook bijna een uur per maand meer aan hun vrijwilligerswerk zullen besteden. Er komen dus meer vrijwilligers aan en ze zullen meer uren gaan leveren.

Het belangrijkste effect is volgens Einolf niet zozeer dat het percentage of het aantal uren stijgt, hoewel dat dus wel uit zijn onderzoek blijkt. Het grote aantal aanstormende babyboomers, de simpele demografie, zal ook zorgen voor veel meer uren vrijwilligerswerk. Daarbij komt dan nog eens dat die gepensioneerden langer gezond zullen blijven dan ooit. Dat zou nog extra versterkt kunnen worden door het parttime blijven werken van babyboomers – meer vrije tijd, nog steeds goed netwerk – en door een andere kijk op het pensioen. Vroeger een tijd om bij te komen van een werkzaam leven, nu een tijd voor plezier en actieve vrijetijdsbesteding.

Samengevat:
Er lijkt alle reden te zijn om aan te nemen dat de babyboomers de nodige extra uren vrijwilligerswerk zullen gaan meebrengen. Zeker als de arbeidsmarkt ze kan verleiden om parttime te blijven werken! Zit het toch weer eens mee.

Christopher J. Einolf, Will the Boomers Volunteer During Retirement? Comparing the Baby boom, Silent, and Long Civic Cohorts. Nonprofit and Voluntary Sector Quarterly 2009; 38; 181.

Delen helpt!
Geplaatst in vrijwilligerswerk | Getagged , , , , , | 2 Reacties

Vertrouwen van de overheid in de burger

Vertrouwen is in ons veld, de civil society, van groot belang. Met name algemeen sociaal vertrouwen – het antwoord op de vraag of mensen in het algemeen te vertrouwen zijn en dat dan kwantitatief gescoord op een schaal van helemaal niet tot helemaal wel – speelt een belangrijke rol in het vrijwilligerswerk, zoals al eens eerder beschreven in een post over onderzoek van Rene Bekkers. We weten dat mensen met een hoger algemeen vertrouwen zich uitselecteren in het vrijwilligerswerk en dat het er – jammer genoeg – niet op lijkt dat het doen van vrijwilligerswerk leidt tot meer algemeen vertrouwen. Wel tot meer persoonlijk vertrouwen tussen vrijwilligers waarschijnlijk.

Een ander aspect van vertrouwen is het vertrouwen dat burgers hebben in de overheid. Als we de media mogen geloven is er sprake van een groeiende kloof tussen burger en overheid en moet er heel wat gerepareerd worden om de democratie nog te redden. Tegenover dit beeld staat dan bijvoorbeeld weer een analyse van Jacques Thomassen die stelt dat het lijkt alsof de democratie in een permanente crisis verkeert omdat er vaak vanuit een wat eenzijdige opvatting van democratie wordt geredeneerd. Ook wordt het gebrek aan vertrouwen in de overheid gerelativeerd door Paul Frissen, die van mening is dat de burger de overheid nog veel te veel vertrouwt – want die overheid heeft wel erg veel macht. Alexis de Tocqueville zou zich waarschijnlijk over hetzelfde zorgen hebben gemaakt. Duidelijk is dus dat over het vertrouwen van de burger in de overheid kan worden gediscussieerd en dat er ruimte is voor interpretatie, maar er liggen tenminste meetbare gegevens aan ten grondslag.

En dat is een aspect dat – als je er eenmaal op gaat letten – wel erg opzichtig ontbreekt bij het onderwerp van deze post: het vertrouwen van de overheid in haar eigen onderdanen. Noch het CBS, noch het SCP kent statistieken of zelfs maar een maat voor dit specifieke vertrouwen. Ook Google Scholar levert geen echt bruikbare aanknopingspunten op – in ieder geval niet voor het Nederlandse taalgebied. Terwijl dat vertrouwen in de burger toch voor een deel bepalend zal zijn voor het overdragen van taken van de overheid – en haar welzijnswinkels – naar burgers zelf.
Hoeft een overheid haar burgers niet te vertrouwen – ze heeft immers in laatste instantie altijd de middelen om gewenst gedrag af te dwingen – of heeft een overheid niet te vertrouwen? Is vertrouwen door een overheid naïef en kan een overheid niet vertrouwen omdat iedereen gelijk behandeld moet worden en er aantoonbaar onbetrouwbare onderdanen zijn?

Het kan zijn dat ik me vergis, maar een maat voor het vertrouwen van een overheid in burgers zou wel eens van belang kunnen zijn voor de ontwikkeling van decentralisatie die wel echt werkt. Al was het alleen maar omdat er dan op grond van gegevens van mening kan worden verschild over de interpretatie van het gebrek aan vertrouwen. Wie weet meer?

Delen helpt!
Geplaatst in politiek | Getagged , , , | 2 Reacties

Keerpunten en vrijwilligerswerk

Bij het bespreken van duurzaam beheer van vrijwilligersenergie werd gesteld dat er aandacht zou moeten komen voor de hele levensloop van Rotterdammers in hun vrijwilligerswerk. Daar past dan bij dat wordt onderzocht hoe bepaalde belangrijke momenten – bij gebrek aan beter maar even keerpunten genoemd –  als trouwen, het krijgen van een kind, scheiding, pensioen en dergelijke van invloed zijn op het doen van vrijwilligerswerk. Rebecca Nesbit onderzocht voor Amerikanen de effecten van het krijgen van een kind, van scheiding, van weduwe/weduwnaar worden en van een ander sterfgeval in het huishouden.

Resultaten voor een kind krijgen
De eerste – niet echt schokkende – hypothese 1 was dat ouders die net een kind hebben gekregen minder vaak vrijwilligerswerk zullen doen dan mensen die geen kind hebben gekregen, zelfs als die laatste ouders nog andere kleine kinderen rond hebben lopen. Een tweede hypothese 1a was dat ouders die net een kind hebben gekregen minder uren vrijwilligerswerk zullen gaan doen.
Uit het onderzoek blijkt inderdaad dat een baby leidt tot een lagere waarschijnlijkheid van het doen van vrijwilligerswerk en er zijn ook aanwijzingen – maar geen keihard bewijs – dat er dan minder uren gemaakt worden.

Resultaten van een scheiding
Nesbit verwacht – hypothese 2dat recent gescheiden individuen een andere waarschijnlijkheid hebben om vrijwilligerswerk te gaan doen dan niet recent gescheiden individuen. Daarmee samenhangend hypothese 2a: recent gescheiden individuen zullen het aantal uren vrijwilligerswerk aanpassen. Hypothese 2b: het zal het van het geslacht afhangen of het al dan niet waarschijnlijker wordt dat een net gescheiden iemand vrijwilligerswerk gaat doen en met hoeveel uren de meer of minder die persoon vrijwilligerswerk gaat doen. Verder formuleert Nesbit ook nog hypothese 2c, namelijk dat het effect van een scheiding op al dan niet en in welke mate vrijwilligerswerk wordt gedaan af zal hangen van de aanwezigheid van kinderen in het gezin.
Er is geen bewijs voor hypothese 2 en 2a. Hypothese 2b wordt wel gedeeltelijk ondersteund: een gescheiden man zal waarschijnlijker vrijwilligerswerk gaan doen. Voor hypothese 2c waren de gegevens tegenstrijdig.

Resultaten van een sterfgeval
Verwachting 3 is dat een persoon die recent een sterfgeval in het huishouden heeft meegemaakt het al dan niet doen van vrijwilligerswerk en het aantal uren zal veranderen. Verwachting 3a is dat het effect van een recent sterfgeval in het huishouden op vrijwilligerswerk af zal hangen van het geslacht van de vrijwilliger.
Voor geen van deze hypotheses werd bevestiging gevonden. 

Resultaten voor weduwe/weduwnaar worden
Nesbit verwacht – hypothese nummer 4dat de waarschijnlijkheid van het doen vrijwilligerswerk en het aantal uren vrijwilligerswerk door een weduwe/weduwnaar af zal wijken van niet-weduwes/weduwnaars. Verder – hypothese 4adat het effect af zal hangen van de leeftijd van de weduwe/weduwnaar, – hypothese 4bvan het geslacht, dus van weduwe of weduwnaar, en – hypothese 4cvan de aanwezigheid van kinderen in huis.
Voor hypothese 4 werd wat deels tegenstrijdig bewijs gevonden voor een negatief effect op de waarschijnlijkheid en het aantal uren vrijwilligerswerk. Hypothese 4a werd – ook deels tegenstrijdig – positief bewijs gevonden. Hypotheses 4b en 4 c werden niet door de gegevens ondersteund.

Bespreking
Een pasgeboren baby leidt tot een lagere waarschijnlijkheid van het doen van vrijwilligerswerk en tot minder uren. Gezien de drukte die zo’n kleintje meebrengt geen verrassing.
Een scheiding leidt niet per se tot een lagere waarschijnlijkheid van vrijwilligerswerk of minder uren – ondanks de noodzaak om een nieuw levensritme te vinden -, en er zijn aanwijzingen dat gescheiden mannen meer vrijwilligerswerk gaan doen. Een keerpunt doet daar blijkbaar wonderen voor de maatschappelijke inzet. Waarom mannen wel meer en vrouwen geen extra vrijwilligerswerk gaan doen moet nog worden uitgezocht, maar een mogelijkheid is dat veranderingen in het sociale netwerk voor mannen anders uitpakken dan voor vrouwen. Gescheiden mannen en vrouwen met kinderen thuis gaan met grotere waarschijnlijkheid vrijwilligerswerk doen en er meer uren aan besteden. Kinderen – maar geen baby – lijken dus een belangrijke ‘oprit’ voor het doen van vrijwilligerswerk.
Weduwe/weduwnaar worden verkleint de waarschijnlijkheid van het doen van vrijwilligerswerk en de uren, maar oudere weduwes/weduwnaars doen wel weer meer vrijwilligerswerk. Na een periode van rouw en aanpassing zouden de gezondheidswinst en de sociale contacten van vrijwilligerswerk een reden kunnen zijn om weer meer aan vrijwilligerswerk te gaan doen.
Een sterfgeval in het gezin lijkt net zo vaak positieve als negatieve uitwerking te hebben op het doen van vrijwilligerswerk. Vrijwilligerswerk zou kunnen verminderen als gevolg van de periode van aanpassing, maar ook kunnen stijgen ten gevolge van bijvoorbeeld het gaan werken in een hospice.

Dus
De gevolgen van keerpunten in een leven voor het doen van vrijwilligerswerk worden op deze manier steeds beter in beeld gebracht. In andere soortgelijke onderzoeken wordt een beeld geschetst van andere keerpunten en hun effecten. Hiermee neemt de kennis over de rol van keerpunten steeds meer toe en kunnen vrijwilligersorganisaties zich voorbereiden op de gevolgen van keerpunten voor hun vrijwilligers.
En misschien moet bij de scheidingsmakelaar maar een foldertje over de mogelijkheden van vrijwilligerswerk komen te liggen.

Rebecca Nesbit, The Influence of Major Life Cycle Events on Volunteering, Nonprofit and Voluntary sector Quarterly, published online 1 december 2011.

Delen helpt!
Geplaatst in vrijwilligerswerk, wetenschap | Getagged , , , , , , | Een reactie plaatsen

Trots en respect in het vrijwilligerswerk

Vrijwilligerswerk is vanuit eigenbelang toch wat moeilijk te verklaren. Emotie speelt een belangrijke rol en twee specifieke emoties, trots en respect, zijn voor het vrijwilligerswerk wetenschappelijk onderzocht door Naomi Ellemers en Edwin Boezeman vanuit een organisatiepsychologisch perspectief.

In een wetenschappelijk artikel gaan ze in op onderzoek dat ze hebben gedaan onder Nederlandse vrijwilligersorganisaties. Doel van het onderzoek is na te gaan óf en hoe trots en respect van invloed zijn op het vinden, binden en tevreden stellen van vrijwilligers. Dat óf lijkt voor iemand met enige praktijkervaring nogal voor de hand liggend, maar het hoe levert een aantal praktische aanknopingspunten op voor de praktijk van alledag.

Trots en respect onderzocht.
Het bleek dat de overtuiging bij een (potentiële) vrijwilliger dat het vrijwilligerswerk belangrijk was voor de vrijwilligersorganisatie en de klanten ervan leidt tot een gevoel van trots op de organisatie. Ook bleek dat ondersteuning door de vrijwilligersorganisatie leidt tot zich gerespecteerd voelen door de vrijwilliger. Verder bleek dat trots en respect de betrokkenheid bij de vrijwilligersorganisatie vergroot. Die betrokkenheid heeft dan op zijn beurt weer gevolgen voor vinden, binden en boeien van vrijwilligers.

Het gevoel van trots hangt voornamelijk af van de eigen overtuiging van de vrijwilliger en niet van het beeld dat er in het algemeen van de vrijwilligersorganisatie heerst. Een hoge zichtbaarheid van de organisatie en behaalde resultaten lijken niet zo van belang voor trots, en een beeld van veel succes kan zelfs leiden tot slechtere wervingsresultaten omdat potentiële vrijwilligers denken dat hun inzet niet meer nodig is.

Het gevoel gerespecteerd te worden hangt af van de ondersteuning die door de vrijwilligersorganisatie wordt gegeven, maar emotionele ondersteuning lijkt daarin belangrijker dan taakgerichte ondersteuning. Respect gekregen van de klanten van de vrijwilligersorganisatie is eveneens van groot belang.

De contacten met collegavrijwilligers lijken minder belangrijk te zijn voor de betrokkenheid van de vrijwilliger dan meestal wordt aangenomen. Voor het binden van vrijwilligers lijkt de betrokkenheid bij de doelstellingen belangrijker dan het sociale aspect. Bij de werving van vrijwilligers aandacht besteden aan de ondersteuning door collegavrijwilligers en het respect dat iemand van hen zal krijgen lijkt dus niet te helpen.

Samengevat komt het neer op het volgende:

  • Communiceer helder en expliciet over de missie, de doelstellingen van de organisatie, over de waardering die de klanten hebben en over het belang van de (blijvende) individuele bijdrage van elke vrijwilliger voor het bereiken van de doelstellingen. Dit is belangrijker dan investeren in het image van de organisatie, bijvoorbeeld door het succes ervan te benadrukken.
  • Ondersteun de activiteiten van je individuele vrijwilligers. Emotionele steun is hierbij belangrijker, maar lever indien mogelijk ook taakgerichte steun. Wees duidelijk over de ondersteuning die je kunt leveren en lever die dan ook.

Bronnen:
Ellemers, N. & Boezeman, E.J. (2009). Empowering the volunteer organization: what volunteer organizations can do to recruit, content and retain volunteers. In Sturmer, S.& Snyder, M. (Ed.), Psychology of Helping: New Directions in Intergroup Prosocial Behaviour. Oxford: Blackwell Publishing.

Het onderzoek borduurt voort op het proefschrift van Edwin Boezeman: managing the Volunteer Organization: strategies to recruit, content, and retain volunteers. Naomi Ellemers was promotor van dit proefschrift.

Deze post is eerder verschenen in 2010.

Delen helpt!
Geplaatst in vrijwilligerswerk | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

Motieven van vrijwilligers

Waarom vrijwilligers de moeite nemen om een aanzienlijke hoeveelheid tijd te besteden aan anderen of aan de maatschappij is een vraag die niet alleen onderzoekers, maar ook uitvoerders in de praktijk bezighoudt: weten waarom iemand iets doet geeft je mogelijkheden dat ‘doen’ te beïnvloeden. Waarom mensen vrijwilligerswerk gaan doen en blijven doen is daarom van groot praktisch belang. Zo lang we nog niet echt in iemands hoofd kunnen kijken blijft het antwoord op deze vraag toch een beetje koffiedik kijken.

Een manier om naar deze vraag te kijken is om uit te zoeken welke functies dat vrijwilligerswerk kan vervullen voor een vrijwilliger. Clary en een aantal andere onderzoekers deden dit en kwamen tot de volgende zes functies: 

  • Waarden: vrijwilligerswerk biedt de mogelijkheid om waarden die verband houden met altruïsme en betrokkenheid tot uiting te brengen.
  • Leren: vrijwilligerswerk stelt je in staat om nieuwe ervaringen op te doen en kennis en vaardigheden in de praktijk te brengen.
  • Sociaal: vrijwilligerswerk maakt het mogelijk om contacten met anderen te onderhouden en om dingen te doen die door belangrijke anderen belangrijk worden gevonden.
  • Carrière: vrijwilligerswerk kan een opstap zijn naar nieuw werk of naar beter werk door bijvoorbeeld het oefenen van nieuwe vaardigheden.
  • Bescherming: door via vrijwilligerswerk iets nuttigs voor anderen te doen kunnen persoonlijke problemen op een afstand worden gehouden.
  • Verbetering: door vrijwilligerswerk te doen kun je een positiever beeld van jezelf opbouwen.

Deze functies werden op basis van de literatuur verwacht en in experimenten werd aangetoond dat ze inderdaad een rol speelden. Clary heeft op deze manier een vragenlijst samengesteld – de Volunteer Functions Inventory VFI – die deze functies meet met 30 vragen. Met heel wat rekenwerk werd aangetoond dat het deze zes functies waren en niet vijf ervan of toch zeven.

In vervolgonderzoek werd aangetoond dat als de communicatie over het te verrichten vrijwilligerswerk specifiek was gericht op een bepaalde functie, vrijwilligers-in-spe die gevoelig waren voor die functie meer bereid waren om vrijwilligerswerk te gaan doen. De schaal is dus bruikbaar voor werving. Ook voor de voldoening die vrijwilligers ondervinden tijdens hun vrijwilligerswerk is de VFI geschikt: als ze vrijwilligerswerk hebben dat aansluit bij hun sterkste motieven is de voldoening het hoogst. Tenslotte werd in een experiment vastgesteld dat het voornemen langer vrijwilligerswerk te blijven doen sterker was naarmate het werk beter aansloot bij de motieven.

Kortom:
De bovenstaande functies van vrijwilligerswerk zijn een bruikbaar middel om vrijwilligers te vinden en te binden. Probleem bij nog te recruteren vrijwilligers is dan wel dat je niet vooraf weet wat voor hen de belangrijkste functies zijn. Je wervingscommunicatie en intake zullen dan duidelijkheid moeten brengen. Als ze eenmaal actief zijn zou het goed mogelijk moeten zijn om je vrijwilligers te bieden wat ze zoeken door goed op deze zes functies te letten.

E. Gil Clary, R.D. Ridge, A.A. Stukas, M. Snyder, J. Copeland, J. Haugen, P.Miene. Understanding and Assessing the Motivations of Volunteers: A Functional Approach. Journal of Personality and Social Psychology, 1998, Vol. 74, No. 6, 1516-1530.
Delen helpt!
Geplaatst in vrijwilligerswerk | Getagged , , , , | 2 Reacties